vrijdag 27 mei 2011

De ongekende jarentachtig-luxe van Dynasty

Ik zit dus al ruim een week vastgezogen in een Dynasty-tornado. Vijf seizoenen heb ik besteld, van elk zo'n 24 - 30 afleveringen. Aanvankelijk dacht ik: een of twee afleveringen per week moet lukken. Maar inmiddels spendeer ik er zoveel vrije tijd aan dat ik aan mijn zelf opgelegde verplichtingen als kranten en tijdschriften lezen of mezelf stuktwitteren niet meer toe kom. Maar wat geeft het: inmiddels heb ik er dik anderhalf seizoen opzitten.

Het kijken van Dynasty zorgt voor ernstige flashbacks naar de jaren tachtig. En wat wij mensen ons destijds voorstelden bij termen als 'ongekende luxe.' Die luxe bestond uit lange limousines met chauffeur, met op de achterbank een enorme telefoon. Maar wel eentje met druktoetsen! De gewone mens moest het stellen met een van PTT geleend draaischijfmodel met een krulsnoer. Mensen die de pech hadden dat hun nummer voornamelijk uit negens en nullen bestond, werden veel minder vaak gebeld dan diegenen met enen en tweeën. Want wat duurde dat lang zeg, een nul draaien! Vaak vloog je vinger ook nog uit de bocht bij het draaien - dus uit het gaatje - en kon je weer helemaal opnieuw beginnen. Draaaaaaaaaai: tik tik tik tik tik tik tik tik tik tik. Draaaaaaaaaiii: tik tik tik tik tik tik tik tik tik. Nee, dan maar gewoon met pen en papier een brief schrijven.

In Dynasty hadden de families ook massa's personeel rondlopen. Een majordomo genaamd Joseph, een naamloze kok, Jeannette en nog drie huishoudhulpen, de woest aantrekkelijke tuinman slash paardenmanager Tony, Marcy de secretaresse, de eerder genoemde chauffeur natuurlijk. Uiteraard lieten Krystle en Blake alles naar het huis of kantoor komen. Zo lag de pedicure aan het voeteneinde van Krystles canapé en liet Blake zijn haar knippen terwijl hij belangrijke orders inspecteerde.

Thuis hadden we die luxe niet. Niemand die ik kende had dat. Het enige personeel dat bij ons over de vloer kwam was een kraamhulp, als er bij tijd en wijle weer een baby bijkwam. Het waren altijd fris ruikende meisjes die in een handomdraai het hele huishouden omtoverden in een chaos. Na twee dagen hing de keuken vol onnodig vaak gewassen handdoeken, luiers, washandjes en ander textiel dat voorhanden was. Intussen rende zo'n meisje dan achter je aan omdat ze spelletjes met je wilde doen. Waarschijnlijk dacht ik: 'heb jij geen baby te verzorgen of moet je mijn moeder niet helpen?' Maar intussen genoot ik met volle teugen van de privileges van zo'n kindermeisje. Ik liet ze mijn eerste schrijfsels zien, die ze luid kirrend bewonderden. Heerlijk, al die aandacht!

Een ander groot verschil met ons, de gewone mensen, waren de huizen in Dynasty. Alexis had een lift in haar woonkamer. Wij niet (waarschijnlijk ook omdat onze woonkamer zich op de begane grond bevond, maar dat terzijde). Blake en Krystle hoefden alleen maar te gaan zitten en automatisch schoten de dienstertjes toe met een zwaarverzilverde koffiepot uit de Louis Quatorzetijd. Bij ons thuis was het hannesen geblazen met een thermoskan en dubbelklappende filterzakken. Bij ons in de tuin groeiden geen in strakke vierkanten geschoren heesters, maar gewoon gras. En we kregen bij onze geboorte al helemáál geen zilveren rammelaar met onze namen erin gegraveerd.

Nee, wij kenden luxe van een heel andere orde. Namelijk de Astra Bioscoop in Klazienaveen. Het was een bioscoop zoals we die tegenwoordig niet meer kennen, met verschoten pluche stoelen en hoogpolige vloerbedekking. Anno 2011 zou het er muf ruiken, maar in die tijd mocht er gewoon gerookt worden in de zaal. De stoelen zaten dan ook vol brandgaten en bij sommige scènes van 'Three Men In A Baby' (tikfout, maar hij blijft) kon je door de rook de ondertiteling niet eens lezen. Maar wat een heerlijkheid, die bioscoop. Om de twee of drie stoelen zat een buzzer, waarmee je eten en drinken kon bestellen. Het personeel sloop dan naar je toe en noteerde je bestelling. Na wat glasgerinkel achterin de zaal kwamen ze terug met het lekkers: meestal bifiworstjes en waterige cola. Bij het afrekenen ging het altijd mis, waardoor er gedurende de hele voorstelling bezoekers door het gangpad kropen op zoek naar hun kleingeld. Maar wat gaf het: we wentelden ons in het geluk van een eigen bediening, en als je je ogen een beetje dichtkneep was de zaal met z'n houten lambriseringen en met stof beklede wanden nét de balzaal uit de Carrington Mansion!

zondag 22 mei 2011

Oooooopraaaaaahhhh!

Ze is ermee gestopt. Oprah. Na een jaar of 25 en een stuk of 5000 shows heeft de talkshowdiva besloten de knuppel in het spreekwoordelijke hoenderhok te gooien. Ze gaat acteren op Broadway en een tv-zender runnen, of zoiets. Jammer, want hoe klef het er soms ook aan toeging: ik bleef regelmatig hangen als ik langs Oprah zapte.

Midden jaren tachtig vond Oprah een sjabloon uit waar diverse talkshowhosts op voortborduurden: de freakshow. Met name Ricki Lake en Jerry Springer gingen ermee aan de haal. Waar Oprah ontwrichte gezinnen in haar studio los liet gaan over hun scheiding of allerlei tuig liet vertellen over misdaden, kwamen ze bij Ricki en Jerry puur om te rellen en te vechten. Waarvan het grootste deel natuurlijk in scène was gezet. Het duurde dan ook niet lang voordat Oprah het roer omgooide: van een vechtshow veranderde haar programma in feelgood-tv.

Vaak voelde dat net iets té goed. De psychobabble van Dr. Phil en andere deskundologen, het gejank van de studiogasten, wereldverbeterende goeroes en Oprah's verhalen over haar eigen droevige verleden, het gedweep met beroemdheden (Bette Midler! You're my favorite singer! Een week later zou ze hetzelfde zeggen tegen Cher)... Soms was het gewoon too much. Maar vaak ook leverde het erg leuke tv op. De afleveringen waarin ze 'on the road' ging met Mybestfriendgayle. De immer knappe interieurdeskundige Nate Berkus, die zijn vriend verloor tijdens de tsunami. Madonna, die haar kinderaankopen in Malawi kwam verdedigen via een videowall. De interviews met Prince en Michael Jackson, die om vage redenen niet zijn terug te vinden op de dvd-collectie.

Het jaarlijkse hoogtepunt van Oprah (of het dieptepunt, zo je wilt) vormde de graaishow 'Oprah's favorite things'. Het eerste jaar kreeg het voltallige publiek een snelkookpan en gratis toegang tot een Disneypark, maar al snel groeide dit evenement uit tot iets monsterlijks met idioot dure cadeaus. Het publiek werd compleet lethargisch als ze doorkregen dat ze bij een 'favorite things'-aflevering waren terechtgekomen. Niet gek ook, als je met een nieuwe auto, een compleet nieuw interieur en gratis toiletpapier voor de rest van je leven naar huis ging.

Oprah is een goed mens. Maar ook een mens dat goed voor zichzelf zorgt. Zo las ik een keer een editorial van haar, in de Zuid-Afrikaanse editie van O. Het blad, dat vooral gelezen wordt door arme negers in townships, is een inspiratiebron voor velen. Maar zitten die mensen erop te wachten dat Oprah haar honden in haar testament heeft opgenomen? De editorial ging als volgt. Oprah was met haar vliegtuig op weg naar haar vakantiehuis op Hawaii, toen de piloot erachter kwam dat er een scheurtje in het glas van een van de ramen zat. Oprah stond doodsangsten uit. Want wat moest er met haar hondjes gebeuren, mocht zij komen te overlijden? Oprah bedacht zich geen moment, liet de piloot resoluut het vliegtuig aan de grond zetten en bijna ter plekke regelde ze dat haar honden recht hadden op een groot deel van haar vermogen. Zo, dat was ook weer rechtgezet. Maar wie verder iets opschoot met dat verhaal?

Het is een leuke terzijde in het verhaal Oprah, die meer dan 25 jaar een aardige rol heeft gespeeld in mijn tv-herinneringen. Maar wat me het meest is bijgebleven is het hysterische Amerikaanse publiek, dat als voorbeeld heeft gediend van hoe we ons in Nederland op tv zijn gaan gedragen. Namelijk luid, luider, luidst. Net als Oprah zelf, trouwens. Bekijk de volgende compilatie maar eens...

dinsdag 17 mei 2011

Nadenken op een mopje Mahler

Maandagavond naar het Nederlands Philharmonisch Orkest geweest, dat de tweede symfonie van Gustav Mahler opvoerde in het Amsterdamse Concertgebouw, samen met het Nederlands Concertkoor en twee klassiek geschoolde zangeressen. Het was een prachtig stuk, dat bestond uit vijf delen die steevast eindigden in een bombastische finale waarvan ik telkens dacht: hoe gaan ze hier in het volgende deel in godsnaam overheen?

Tussen die muzikale orgasmes door keek ik mijn ogen uit. Naar de bejaarde harpist met z'n vingervlugge spel. Naar de voorste violist, die z'n gezicht in een karikaturale grimas trok voordat hij de kinnebak tegen zijn gezicht zette. Naar de dirigent, die al na het eerste kwartier het zweet uit zijn nek stond te deppen. Naar het publiek, dat met hoedjes op zat te knikkebollen dan wel ritmisch mee te deinen op de maat van de muziek.

Maar na een tijdje trad de gewenning op. Tijdens een zoveelste intermezzo tussen de trompetsectie en het slagwerk, the mind went wandering. En waar denkt een mens aan als hij niet wordt afgeleid door weer zo'n grandioze finale? Aan het volgende.

'Wat voelt mijn mond raar. Hij zit niet lekker. Mijn tanden staan scheef op elkaar. Mijn mond zit niet lekker. Even met mijn tong voelen tussen mijn voortanden. Ja, die zijn wel goed. Maar de tong zelf, wat is daarmee aan de hand? Wat een raar glad stukje daar. Ik heb vast last van een schimmel. Of tongkanker.'

BAMBAMBAMBAM KLETTERKLETTERKLETTER! Paukenslag, bekken, en ik dwaal weer af.

'Morgen niet vergeten vragen te verzinnen voor Bacardi. Wat is precies de lokale insteek van die campagne. Getsie, niet aan denken nu. Focus op de cellist met de leuke krullen. Shit, om elf uur moet dat ene stuk al af. De wekker op half acht dan maar. Of nee, toch maar om acht uur want ik kan vast niet slapen vannacht.'


IIIIEEEPPPPP! FUUUUUUUUUWIIIIIIIEEEEET!
Hè wat? Ja, mooi. Blijven opletten nu, het wordt steeds prachtiger.

'Hoeveel joden zijn hier samengebracht in de oorlog? Er passen er wel een paar duizend in. Best heftig, als je je realiseert hoe mooi dit gebouw is, en dan die geschiedenis, plus dat er ook nog eens in het Duits wordt gezongen. Hoeveel van de op dit moment aanwezige joden zou hier ook aan denken? Helemaal zo vlak na 4 en 5 mei. Volgend jaar toch maar eens naar de Westermarkt op Bevrijdingsdag. Dat was best leuk, een paar jaar geleden.

BAAM!!! BAAMMMM! BABABABAMMMM!!!! Met een daverend kabaal is weer een deel ten einde. Nu blijf ik bij de les, want het slotstuk is van een schoonheid, daar wil ik echt niets van missen.

'Zou die dame voor me elke dag opnieuw die parels in haar oren hangen? Hoe doe je dat op je tachtigste? Of zou je ze gewoon kunnen laten zitten op die leeftijd? En groeit dat dan dicht? Oren groeien door als je ouder wordt. Best grote oren heeft ze. Zouden die parels daardoor elk jaar kleiner lijken? Als ze slim is koopt ze één keer per jaar een paar grotere pareloorbellen die...'

Ineens begint iedereen luidt te applaudiseren en 'Bravo!' te scanderen. Ook ik heb genoten, en tussen het nadenken door heb ik zeker genoeg meegekregen om te kunnen concluderen dat het een geweldig concert was. De volgende keer neem ik zelf een tamboerijntje mee. Zodat ik wel op de muziek móet letten en niet telkens afdwaal.

Verlepte glorie - Dana International

Ik ken een stuk of vier transseksuelen in het echt. Dat zijn stuk voor stuk hele leuke meiden. De transen die je op tv ziet daarentegen, dat zijn meestal nichten met hun pik eraf. Kijk maar naar Neerlands troeteltrans Kelly, da's gewoon een relnicht in een goedkope glitterjurk. Een aantal jaren voordat Kelly haar opwachting maakte in het Big Brotherhuis (en waar tijdens de persconferentie voorafgaand aan die entree niemand van de pers haar wilde of durfde te ontmaskeren), had Nederland al kennisgemaakt met Dana International, die min of meer in de Kelly-categorie valt. En laat die nou prompt weer opduiken vorige week, in de voorrondes van het Eurovisie Songfestival (zoals ik het bij wijze van nostalgie hardnekkig blijf noemen).

Dana International. Die naam alleen al. De eerste keer dat Europa haar zag, was in 1998. Ze won het songfestival in een jurk met veren en groeide al snel uit tot een homo-icoon. Een ster ging ze worden, met internationale allure. Ze toerde heel de wereld rond met een repertoire dat bestond uit simpele dancedingetjes als Viva la Diva (het winnende lied), slecht ingespeelde covers (denk aan het genre This Is My Life en It's Raining Men) en tracks die moesten maskeren waar het Dana International aan ontbrak: een prettig stemgeluid. Na vier of vijf van die nasale liedjes wisten de meesten het wel. Niet gek dus, dat Dana's carrière alweer strandde voordat ze het zelf goed in de gaten had.

Afijn. In de tijd dat Dana heel even wereldnieuws was, werkte ik bij sQueeze. Het was de week van de Gay Games en de Eurovisiester verzorgde de openingsact. Uiteraard had sQueeze wel oren naar een interview. Samen met een collega toog ik dus naar het Americain, waar Dana en haar staff een trits kamers had geboekt. En daar lag ze, verveeld en chagrijnig, languit op een bed in een anoniem ingerichte suite. In een roze trainingspak! Oké, het jack hing open dus er was wel degelijk sprake van enige sexyness. Maar niks veren! Niks glamour! Viel dat even tegen. Het hielp ook al niet dat Dana bijna niks interessants had te melden. Een beetje nukkig begon Dana onze vragen te beantwoorden, terwijl ze af en toe een haarlok uit haar decolleté veegde.

Al met al duurde het interview een kwartier want de eikel van de platenmaatschappij (waarom zijn dat zo vaak van die zelfingenomen lulletjes, eigenlijk?) wilde afronden. We pakten net onze opnameapparaatjes in toen Dana uit haar comateuze toestand ontwaakte. Ze sprong van het bed, gaf mij en mijn collega allebei een zoen en riep ineens dat ze het een geweldig gesprek had gevonden. Nou, wij ook, Dana.

Even later stond ze plotseling bij ons in de lift. Ze moest naar boven, maar aangezien wij eerst naar beneden moesten wilde ons wel even 'joinen for a ride downstairs...' En toen zei ze het: 'Mijn kamernummer is 666 (weet ik niet meer, wilde gok) en ik ben daar en daar uitgenodigd. Gaan jullie ook mee? En na afloop ben je welkom op mijn kamer...'

Of ik het gedaan heb? Dat zullen jullie nooit weten!

Ik moest hier ineens weer aan denken toen Dana dus in al haar verlepte glorie ineens weer op tv was vorige week. Overigens is het verhaal dat ik destijds geschreven heb nog altijd op internet te vinden. Zij het in een onmogelijk slecht vertaalde Engelse versie.

maandag 16 mei 2011

Moeder botoxt haar 8-jarige dochtertje

Een ontzettend trieste video zag ik gisteren. Een moeder injecteert het gezicht van haar achtjarige dochtertje met botox zodat ze er langer 'mooi' en jong blijft uitzien:



Inmiddels is er een update. Beter dan Michael K. van mij favoriete blog Dlisted.com kan ik het niet verwoorden, dus voor deze ene keer even copy/paste.
"Botox Mom loses custody of the 8-year-old daughter she tried to de-wrinkle. This is just some sad shit however you look at it. Young Brittany is without her mom, is in the custody of Human Services and can't even move her face to show how sad she is. :("



...

maandag 9 mei 2011

Fashion faux pas - formidabele modeflaters


Foto's met jezelf erop zijn nogal... confronterend. Op onverwachte momenten word je ongevraagd gewezen op modeflaters en bad hair days uit een ver verleden. Gisteren bezorgde moeders mij een cd-rom vol ingescande negatieven, keurig per jaar gesorteerd. En zo zag ik mezelf opnieuw opgroeien, van een bleek, verlegen jongetje tot een hysterisch uitgedoste puber met geblondeerd punkhaar.

Met mode had het weinig te maken. Des te meer met een ongebreidelde experimenteerdrift. Laten we bij het haar beginnen. Zo'n beetje in de tweede klas van de middelbare school gaan kinderen op zoek naar hun eigen identiteit. Dat doen ze door zoveel mogelijk op andere kinderen proberen te lijken. Ik dus ook. Daarom liet ik mijn haar in een mat groeien en liet ik het voor de volledigheid door de kapper met zuur bewerken zodat er een coupe ontstond die weliswaar Bon Jovi bedoeld was, maar Dennie Christian uitpakte. En aangezien mijn klasgenootjes zich op merkgympen verplaatsten, stapte ik al snel rond op een paar O'Hara's, regelrecht uit de Scapino. Zelfs de leraar Engels lachte me er om uit.

Dat lachen verging de meesten al snel toen ik een 'eigen stijl' ontwikkelde. Die term moet even tussen haakjes, want wat maakte ik er een werk van... Wat nog aardig casual begon met opzichtig gebloemde of anderszins gedessineerde overhemden, eindigde in het laatste jaar van de middelbare school in totale gekte. Ik zal proberen een aantal outfits te omschrijven.

1) Een zwart bolerojasje op een grasgroen geverfde Levi's 501 met geblokte bolle neuzenschoenen.
2) Een spijkerjack, door midden geknipt en met een veter aan elkaar geregen. Een spijkerbroek eronder, met één pijp in repen gescheurd aan de voorkant, en één aan de achterkant.
3) Een gebreide trui, waar ik heel grunge gaten in had gebrand met een aansteker.
4) Één stropdas als riem, een tweede om mijn hoofd.
5) Twee van die gebloemde overhemden over elkaar, de een met de ander dichtgeknoopt.
6) Een lange witte opa-onderbroek met soldatenkistjes eronder. Om het hoofd een bandana met doodskoppen er daar weer bovenop een rieten sombrero.
7) Mijn Bassie-pak: een zwarte pantalon, een roezelbloes van Mac & Maggie, daaroverheen een roze mutsjas met vleermuismouwen met daar weer overheen een zwart gilet.
8) Spice Girls-schoenen met rubberen zolen van tien centimeter. Een afgeknipte spijkershort. Een leren gilet met een afgeknipt hemdje eronder. Een enorm yin- en yangteken om mijn nek.
9) Een ruitjesoverhemd zonder mouwen. Die mouwen droeg ik weer over een ander overhemd.
10) Een spijkerbroek met wijd uitlopende pijpen, gemaakt van een Arafat-sjaal.
11) Een legerjas met de Duitse vlag erop.
12) Mijn amoebe-broek: met witte verfvlekken erop, omzoomd met zwarte stift. Eronder een paar zwart/witte puntschoenen.
13) Mijn variatie op de smoking: het witte overhemd los uit de broek, het vest eronder en een jasje vol buttons en speldjes erover.

Met die stift toupeerde ik ook mijn haar, zodat het én zwart werd én in een opstaande kuif kwam te staan. En die bleef staan ook, aangezien ik er ongeveer een spuitbus haarlak per week doorheen joeg.

Helaas zijn lang niet overal foto's van gemaakt. Dus het 'Pics or it didn't happen'-principe dat tegenwoordig geldt moeten we in dit geval maar even laten varen. En al noem ik het nu modeflaters, stiekem ben ik er best trots op dat ik er zo bij durfde te lopen in het oerconservatieve dorp waar ik vandaan kom.

dinsdag 3 mei 2011

Lucide dromen die eindigen in geschreeuw

Ik weet niet of meer mensen hier last van hebben, maar af en toe haalt mijn onderbewustzijn een nare mindfuck met me uit. Dan droom ik dat ik wakker schrik, maar niet in de werkelijke wereld. De slaapkamer, de omgeving en de situatie komen ongeveer overeen met de werkelijkheid, maar net niet helemaal. Hoewel ik weet dat er iets niet klopt, lukt het me pas na een tijdje die situatie zo te beïnvloeden dat ik écht wakker word.

De positieve kant van het verhaal is dat dit af en toe gebeurt met leuke dromen. Dat ik denk: 'Hé, dit is mijn droom. Laat ik eens kijken hoe diep ik onder water kan of hoe hoog de lucht in. Hoe hard ik kan vliegen, enzovoort. Zo heb ik ooit een complete stad in Toscane verkend in een levende Google Streetview-situatie. Ik kan me nog herinneren dat ik me afvroeg waarom de mensen in die stad lampenkappen op hun hoofd droegen. En hoe fijn het was om drukke kruisingen te passeren door er gewoon overheen te zweven. Maar soms komt het ook voor dat een nachtmerrie eindigt in woest geschreeuw.

Dit gebeurde er vannacht. In het huis van mijn ouders was een social media-bijeenkomst belegd. De woonkamer zat vol met honderd bezwete marketeers, die het al snel niet meer uithielden in de oververhitte woonkamer. Ze stonden met z'n allen te roken in de keuken. Ik vond dat het er stonk en begon een paar enorme vuilnisbakken leeg te laden. Bruine smurrie droop er aan alle kanten uit. Vuilniszakken met verrot voedsel, bedorven vlees, maden, vliegen. Al snel begonnen we met z'n allen te stikken.

Ik strompelde naar buiten. Daar stond mijn zus met haar kinderen. Ik raakte om iets met haar in conflict en gaf haar voor het oog van de hele groep mensen een lel. Vervolgens begon zij me op allerlei manieren zwart te maken. Ik vluchtte weer naar binnen, waar mijn moeder me met een bierfles tegen mijn slaap sloeg.

Op het volgende moment was de meeting voorbij en gingen we met z'n allen naar een soort kinderpretpark. De entree was bereikbaar via een trap die steeds steiler werd. Op het laatst werd het een klim over bemoste blokken ijzer, die eindigde in een donkere ruimte met ronde, metalen wanden. Het bleek het ruim van een Boeing.

Plotseling stonden we oog in oog met zwaarbewapende mannen in rode pakken die ons het ruim incommandeerden. Een voor een werden we levend in een lijkzak gepropt. Om ons heen hoorden we kinderen huilen die van hun ouders gescheiden werden. Geschreeuw, gegil. Ik probeerde mijn familie niet uit het oog te verliezen, maar het was al te laat. Ik lag in een dichtgeritste lijkzak te midden van een krioelende hoop lotgenoten, die zich al stompend en schoppend probeerden te bevrijden. Intussen meldden de commando's dat het ongeveer 2,5 uur vliegen was naar New York. Maar ik wist nu al dat we die stad nooit levend zouden bereiken.

Toen ik voelde dat ik stikte, schrok ik wakker. Niet in onze slaapkamer, maar op een vreemde zolder. Ik probeerde me te oriënteren op het licht, maar alles wat ik zag was een bed met roodwitte lakens. Zelf was ik tegen het plafond gespijkerd. Inmiddels had ik wel door dat dit allemaal niet echt was, dus ik probeerde me los te rukken. Ik landde in mijn eigen bed, maar daar werd ik ruw omklemd door een tiental armen die me stevig in mijn kussen drukten. Aan het voeteneind stond mijn vriend, volledig aangekleed.

'Haal me hieruit!' Schreeuwde ik op z'n hardst. Maar mijn vriend deed niets. In plaats daarvan verschrompelde zijn gezicht en zakte zijn kleding als een lege huls in elkaar. 'Maak me wakker!' schreeuwde ik nogmaals, en toen lukte het eindelijk. Op het eind weet ik precies wat echt is en wat niet, maar mezelf eruit bevrijden gaat niet altijd even makkelijk.

Hoog tijd dus om het winterdekbed op te ruimen en een raampje open te zetten :-).

dinsdag 26 april 2011

Te vroeg gepiekt: de hipheid van Boo.com

Waarom ik er ineens weer aan moest denken weet ik niet, maar ooit heb ik gesolliciteerd bij Boo.com. In 1998 was dit een van de allerhipste internet-startups, maar Boo.com ging de geschiedenis in als een van de grootste internetflops aller tijden.

Boo.com was van oorsprong een Zweeds bedrijf. De oprichters wilden een wereldwijd platform neerzetten waarop vooraanstaande fashionlabels hun kleding konden verkopen. Het was vlak voor de dotcom-crash en de bomen groeiden tot in de hemel. Er moest dus ook een Nederlandse dependance komen van Boo.com.

Dus ik erheen. Ik werkte op dat moment bij World Online, het bedrijf dat zo'n beetje symbool heeft gestaan voor die dotcom-crash. Maar op dat moment was er nog geen vuiltje aan de lucht. Toen Boo.com op zoek ging naar 'cutting edge' tekstschrijvers bedacht ik me geen moment. Ik schreef een sollicitatiemail, trok mijn hipste outfit uit de kast en ging solliciteren.

Boo.com was een site met een hostess, Miss Boo. Dit was een virtuele dame die je door het assortiment hielp. De site zag er fraai en flashy uit, tenminste: dat was de bedoeling. Maar anno 1998 trokken de meeste computers zoveel techniek helemaal niet. De site opende in een aparte browser die minstens drie minuten nodig had om te laden. Een ander probleem: betalen via internet was destijds totaal niet ingeburgerd. Maar bij Boo.com geloofden ze toen nog heilig in het succes.

De Nederlandse afgevaardigde van Boo.com zetelde in een souterrain ergens op één van de Amsterdamse grachten. De kelder stond vol kartonnen dozen. Natuurlijk zag de Boo-man er ultragestyled uit: hij droeg een paars tuinpak, weet ik nog. Eronder exclusieve gympen. Ik weet ook nog dat ie een kale kop had, een hippe bril en heel veel armbanden.

Zonder me iets te vragen hield hij een fles champagne voor mijn neus. 'Lekker, bubbels, dat praat makkelijker!' En terwijl hij me naar een groot, leeg bureau dirigeerde, donderden de honderden Boo.com-dozen over hem heen. 'Ja, we zitten nog middenin de verbouwing.' Hij keek me aan alsof ik zojuist expres die enorme dozenwand had omgetrapt.

Het gesprek verliep niet bepaald voorspoedig. 'We weten nog niet of het in het Engels moet of in het Nederlands. Hoe is jouw Engels?' Ehm... hak alsjeblieft eerst even een knoop door, voor je mensen uitnodigt voor een gesprek. 'Verder zijn we op zoek naar een funky accountant. Ken jij die toevallig? Het moet niet zo'n suffe kantoornerd zijn die de hele tijd met z'n neus in de boeken zit.' Nee, je zou maar serieus de hele dag alleen met de administratie bezig zijn. Hoe onhip is dat!

Het werd me al vrij snel duidelijk de Boo-man het wiel niet had uitgevonden. Na het tweede glas bubbels vroeg ik hem wanneer een en ander zou worden opgelijnd en wat de rol van de tekstschrijver precies inhield. 'Dat zien we vanzelf. We gaan binnenkort gewoon een keer beginnen.'

Vervolgens hoorde ik wekenlang niets. Mail werd niet beantwoord, de telefoon niet opgenomen. Toen bleek dat Boo.com failliet was. Het moederbedrijf in Zweden had er in achttien maanden tijd maar liefst 135 miljoen dollar van investeerders doorheen gejaagd. Zo ging Boo.com in al zijn hipheid in volle vaart ten onder, met in zijn kielzog honderden andere startups. Maar de champagne smaakte er niet minder om.

maandag 25 april 2011

Nelly Nijlpaard, Hare Narigheid en Schaapje van Schaaps

Het verdraaien en/of verzinnen van namen is het leukste wat er is. Ooit heb ik met mijn zusje een naamwoordenboek bedacht en hoewel het nog niet is voorgekomen dat ik in het echt een Jannerik of een Drekje ben tegengekomen: het had zomaar gekund.

Er gaat bijna geen dag voorbij waarop ik nieuwe, vreemde namen tegenkom. Want mèèèn, wat heten mensen raar. Neem bijvoorbeeld de schrijfster Charlotte Mutsaers. Muts-aars. Kut-kont! En om even in dit genre te blijven: verslaggever Jeroen Wollaars zit er letterlijk warmpjes bij. Ik weet het: flauw. Maar ik vind dat nu eenmaal grappig.

Nog grappiger is het als mensen een naam hebben die je kunt verbasteren tot iets idioots. Zo mailde ik wel eens met ene Wanda Dubbeld. Dat werd al snel Wanda Dubbel D. Lang geleden ging er een studiegenoot mee naar Parijs. Ze noemde zichzelf Peti, wat was afgeleid van Petronella. Dus noemden we haar Tronie, omdat ze met haar chagrijnige smoel nergens aan mee wilde doen.

In de streek waar ik vandaan kom is het heel gebruikelijk vrouwen een mannennaam te geven waarvan een verkleinwoord is gemaakt. Gijsje, Goosje, Dirkje, Jantje... Andersom plakte men vroeger een uitgang als -us achter vrouwennamen. Grietus bijvoorbeeld. Zoiets zou je ook heel goed met exotischer namen kunnen doen. Als ik ooit een jongenstweeling namen moet geven, gaan ze door het leven als Esmeraldus en Cinderello.

Hondennamen verzinnen is een ander overbodig, maar leuk tijdverdrijf. TomenJerry is favoriet, voor een leuke labrador. Of botox voor een boxer. Silas voor een collie, of Lassie voor een pitbull.

Dan zijn er natuurlijk de BN'ers. Bij mij thuis hebben ze bijnamen als Fuckje de Both en Lieke van Sexmond. Beertje van Beers noemen we Schaapje van Schaaps. Guus Meeuw-eens. Gijs Scholten van Aarsgat. Goedele Lik-eens. Cunty Trustfull.

Iets pijnlijker zijn de bijnamen voor collega's. Mijn ex-baas Nina Brink werd 'De blonde cavia' genoemd. Een jongen zonder benen ging in de wandelgangen door het leven als Stompmans. Het excentrieke opperhoofd van een vakblad noemden we Hare Narigheid en bij buitensporige kledingkeuze 'The devil wears Zeeman'. Maar hier zijn ook onschuldige voorbeelden van, natuurlijk: Jasperge.

Het zat er trouwens al vroeg in, rare namen herkennen of verzinnen. Zo noemden we een baby Dopka, naar haar vader die dopogen had en haar opa die naar kattenvoer stonk. Een vrouw uit het dorp heette Schelp, omdat ze sprekend leek op een afbeelding uit ons memoryspel. Ook hadden we Krikkie, een dame met een hoofd alsof ze net was klaargekomen. Nelly Nijlpaard, de moeder van twee campingvriendjes. Niet eens omdat ze dik was, maar ze deelde dezelfde verbaasde gezichtsuitdrukking met het speelgoednijlpaard van mijn zusje. Een tante tot slot, die haar vakantieverhalen steevast begon met het teleurstellende verloop van haar stoelgang. Zij kreeg als bijnaam de Diarreetante.

En zo zou ik uren door kunnen gaan. Want ik heb het nog niet over de Slons gehad, of de Eitjesmevrouw. Maar daarover vertel ik een andere keer...

zaterdag 16 april 2011

Volkomen overbodige ergernissen

Veel mensen leiden aan hetzelfde euvel als ik. Ze zullen het evenals ik niet graag toegeven, want je zet jezelf er nogal mee te kijk. Het gaat hier namelijk over verspilde energie, over nutteloze aandacht voor volstrekt onbelangrijke zaken. Ergernissen die zomaar ineens opduiken en waar niemand iets mee opschiet. Zeker ikzelf niet. Maar ze bestaan, dus laat ik er maar aan toegeven.

Het begon al op de basisschool. Daar hing een juf rond die een heel schooljaar lang bijna elke dag hetzelfde aanhad. Ze ging gekleed in een wit overhemd, met daarop aan de voorkant de felgekleurde panden van een gilet erop genaaid. Aan de achterkant zat niets. Die juf deed er nooit een jasje over aan, wat mij wel de bedoeling leek: dan wekte je immers nog de schijn dat je een echt gilet over je nette blouse had aangetrokken. Nu liep ze het hele jaar voor lul in dat bloesje met twee rare gilet-flappen die ook nog eens om haar heen fladderden. Want reken maar dat ze de knoopjes niet dichtdeed. Met mijn tienjarige verstand vond ik het getuigen van creatieve armoede en daar heb me dus minstens een jaar aan moeten ergeren.

Een ander voorbeeld. Begin deze eeuw werkte ik op een kantoor waar dagelijks gezamenlijk geluncht werd. Erg leuk en vaak gezellig, tot het moment dat een van de collega's Hüttenkäse op zijn brood wilde doen. Hoe irritant was zijn uitspraak van dat woord! De collega - verder een prima vent - probeerde het op z'n Zweeds mogelijk te vragen: 'Mag ik de (let op het aanloopje) uuhHhhEUtenKèèèèse?' What the fuck: 'uuhHhhEUtenKèèèèse'? Terwijl de andere collega's gewoon doorkeuvelden over Kane-concerten en andere ellende, kromp ik dagelijks ineen van inwendig beleefd leed. Ik moest een tactiek verzinnen op dit vreselijke Hüttenkäse-probleem. De oplossing: weg-elimineren. In het begin keek ik 's ochtends in de koelkast en gooide ik de Hüttenkäse weg. Maar dat leidde tijdens het eten tot de vraag: 'Is de uuhHhhEUtenKèèèèse nu al op? Wil je morgen nieuwe uuhHhhEUtenKèèèèse meenemen? Jammer, ik had zo graag uuhHhhEUtenKèèèèse op brood gehad.' Aan mijn kant van de tafel: 'Aaargh' keer drie. Wat uiteindelijk het best heeft gewerkt: gewoon dat doosje Hüttenkäse alvast naast hem neerleggen zodra we gingen eten.

Een paar jaar later. Op weer een andere redactie. Deze collega belde elke middag om vijf uur stipt met zijn vriendin. Een heel klein vriendinnetje, denk ik, want hij sprak haar aan als een kleuter. 'Hai lieffie! Hoe istie? Alles goed? Heb je lekker gewerkt vandaag? Ja? Oh... Wat wil je eten lieffie? Lekker pastaatje maken met kaas? En groentjes? Wit wijntje d'r bij? Kusje. Doei!' En dat elke dag, al varieerde hij af en toe met de gerechten in de pasta. Maar dat was nog niet eens het ergste. Want terwijl je met kromme tenen het gesprek zat af te luisteren, krabde deze collega zichzelf tot de schilfers over z'n toetsenbord dansten. Juist de combinatie van dat lieve gefluister in de hoorn en een geruchtmakend huidprobleem deed mij huiveren van ergernis. Ook deze collega was in de omgang redelijk te doen, maar dit soort vunzigheid zorgde voor een verstoorde werkrelatie. In mijn hoofd, dan. Overigens ging dat krabben de hele dag door. Tschk, tschk, tschk. Tschk, tschk, tschk.

Tot slot erger ik me aan gesprekken in restaurants tussen groepen zakenmensen die elkaar niet of nauwelijks kennen. Als ik zie dat er aan de tafel naast me een dergelijk gezelschap neerstrijkt, móet ik observeren. Je ziet meteen wat de rolverdeling is. Vaak is er zo'n manager die plotseling alle conversaties overruled met een misplaatste grap. Of een behaagziek communicatiemeisje dat iedere gast (vaak buitenlanders die met een vies gezicht de menukaart bestuderen) gerust wil stellen en iets te hoog giechelt. Iemand van de afdeling H.R. die het alleen maar over de bedrijfsprocessen wil hebben. In steenkolen-Engels: 'So how is the work process in your company going? Do you have a lot of workmembers to care about?' Intussen zoeken de buitenlandse gasten aansluiting bij elkaar, met voorbeelden uit vorige reizen naar Nederland. Die gaan steevast over canal cruises, Vén Goow, Britse horken van toeristen waarvoor ze zich schamen en altijd over het symposium dat de vorige keer ook al niet geslaagd was. En daarna de manager weer, die met een lepel tegen z'n glas tikt en een onsamenhangende speech begint te geven. Het eindigt steevast met een opgelucht applaus van de toehoorders, waarna ze het - eindelijk verbroederd - op een zuipen zetten. Het behaagzieke meisje giert nu iets te hoog boven het gezelschap uit, de H.R.-man zit intussen met z'n arm om de leuning van de buitenlandse rayonmanager (v) gevouwen en de avond eindigt in gelal. Werkelijk te genant voor woorden.

Kijk, daar erger ik me dus aan. Volkomen onterecht, want al deze mensen proberen er ook maar het beste van te maken. Op hun eigen, irritante manier. Misschien moet ik er gewoon een blogje over schrijven. Dat heeft vast meer nut dan al dat onzinnige geërger en het levert vast een amuserend verhaal op....

maandag 11 april 2011

Een prettig gesprek in lijn 2, vandaag

Tramhalte Hoofddorpplein, 18.30 uur. De tramchauffeur wacht tot een oud besje de oversteek heeft gemaakt vanaf het trottoir. Het besje draagt een turquoise zomerjurk met een lichtbeige bontjas erover. Het haar keurig in Oud-Zuidstijl gekapt. Ze hijst zich naar binnen en start de volgende monoloog.

'Chauffeur, ik hoef maar één halte. Ik ben dat hele eind komen lopen. Vanaf de Amstelveenseweg. Vijf winkels moest ik in voor cadeaus voor mijn achterkleinkind. Is een heel leuk kind hoor, daar niet van. Maar ik zit van mijn nek tot aan mijn tenen onder de artrose. Neeeee, daar zie je niks van nee. Maar ik voel het wel. En een pijn dat het doet! Toe, breng me even één halte verder. U kunt het zo'n oud mens als ik toch niet aandoen om dat hele stuk terug te moeten lopen? Man, ik had al lang in bed moeten liggen!'

Zonder te betalen gaat ze zitten op de voorste stoel, die een man haar in allerijl beschikbaar heeft gesteld. Ze gaat verder:
'En morgen ben ik jarig hè. Maar mooi dat er niemand komt! Helemaal niemand die op mijn verjaardag komt. Ik ben helemaal alleen, maar dat vind ik allang niet meer erg hoor. Ik zal mezelf eens lekker gaan verwennen. Hoe oud denkt u dat ik morgen word, chauffeur? Wat zegt u? Zeventig? U wilt wel heel erg graag aardig gevonden worden, niet? Zeventig! Zeventig! Probeert u mij soms te versieren meneer? Zeventig. Nu vraag ik je. Tel er maar gerust zeventien jaartjes bij op. Nee, dat zou u niet zeggen, hè. 87 jaar alweer.'

Dan heft ze luidkeels het bekende lied van Ramses Shaffy aan.
'We zullen doorgaan
Met het zweet op ons gezicht
Om alleen door te gaan
In een loopgraaf zonder licht!'

'Want echt veel meer dan doorgaan kun je niet hè? Ja, hopen dat het beter wordt. Maar dat wordt het nooit meer, met alle oorlog en ellende op de wereld. Ik zeg u, chauffeur, we leven in het einde der tijden. Het einde is nabij, dat verzeker ik u. Kijk maar in het Nieuwe Testament. Daar staat het allemaal in. God wil dat wij vrede met elkaar sluiten en wat doen we? We schieten elkaar dood en steken elkaar neer. Zo heeft god het niet bedoeld. Echt, gelooft u mij, hij laat dit allemaal niet zomaar over zijn kant gaan.'

De halte nadert. De vrouw staat op.
'Ach chauffeur, doet u mij een plezier en help me even uit de tram. Ik geef mijn boodschappen even aan u mevrouw, zet u die naast de tram? Meneer, u bent een fijne chauffeur. God heeft het beste met u voor. Als u niets verkeerd doet is een plekje in de hemel gegarandeerd hoor. Ik weet het zeker. Zo'n lieve man! Nou, vriendelijk gegroet en een fijne dag verder!'

Hoe het eten van een hotdog had kunnen uitlopen op wilde seks

Gisteren zat ik te eten bij Toko MC. Waarschijnlijk kwam het door het lekkere weer, maar menig terraszitter had 'm om 18.30 uur al aardig zitten. Maar wat er toen binnenkwam aan lallend volk was moeilijk te geloven. Een rood aangelopen kerel met drankwallen tot op z'n knieën en een vrouw die niet meer recht uit haar ogen kon kijken, laat staan lopen. De man vertrok vrij snel naar buiten, waarna de vrouw een oudere man aan een andere tafel begon lastig te vallen. Eerst probeerde ze haar tong in de mond van de man te proppen en toen dat niet lukte duwde ze haar hoofd in zijn kruis. Niet lang daarna smeerde ook deze man 'm naar buiten. De vrouw tolde door de ruimte, sloeg dubbel tegen de bar en landde uiteindelijk op een bank, waarna ze in slaap dreigde te vallen. Toen het personeel haar naar een taxi begeleidde, keerde de rust weder.

Deze situatie deed me denken aan een incident van enkele jaren geleden. Ik was wezen stappen in Utrecht en kwam met de nachttrein aan in Amsterdam. Nu is het CS 's nachts hermetisch afgesloten, op één uitgang na. Hier staat - heel strategisch - pontificaal een hotdogkraam die inspeelt op de broodnodige behoefte van de nachtelijke reizigers. Zo stond ik dus een broodje hotdog te nuttigen, toen er naast mij een vrouw opdook.

'Hoe kom je daaraan?', vroeg de vrouw, die ik zo'n 55 jaar schatte. Ze droeg een sexy bedoelde outfit met veel soorten dierenprint. Het platinablonde, kapotgepermanente haar had uitgroei. De lipstick was in de lijntjes rond haar mond gelopen en ook haar oogmake-up hing uit het lood. 'Kijk eens naast je?', zei ik tegen de vrouw, terwijl ik naar de hotdogkraam knikte. 'O, maar dat ken ik niet betalen hoor'. Ik bood haar mijn laatste stuk hotdog aan, dat ze gretig uit mijn handen trok. 'Waar zijn we hier ergens?', vroeg de vrouw. 'Bij het Centraal Station, waar moet je heen?' 'Naar Noord. Met de pont.' Nu stond mijn fiets toevallig aan de achterkant van het station, dus ik zei: 'Kom, geef me een arm, dan loop ik met je mee. Ik moet ook die kant op.'

Zo slingerden we samen onder het spoor door, waar ze me prompt stilhield. 'Wat ben jij eigenlijk lief!' Ja ja, kom, loop door, sputterde ik. 'Nee echt, kom hier.' Haar hand gleed richting mijn kruis en de hotdogrestjes op haar gezicht zaten ineens op dat van mij. 'Je mag wel bij mij blijven slapen hoor. Je bent liehiehief!', lalde de vrouw in mijn oor. 'Sorry, ik ben homo. Aan mij heb je dus sowieso niks vanavond.' Oké, misschien een slap excuus om me achter te verschuilen. Ze nam er dan ook geen genoegen mee. 'Geeft niks, ik bekeer je wel!', en ze duwde zich tegen me aan. Ik pakte haar weer stevig bij de arm en we marcheerden verder. 'Mooi niet. Jij gaat naar jouw huis en ik ga naar mijn huis.'

Terwijl de vrouw al dreinend achter me aan slenterde, kwam het platform met de pontjes in zicht. 'Kijk, daar is het. Mijn fiets staat hier. Succes verder hè?' 'Hé, niet weggaan! Ah toe!' 'Jawel. Niet in het water vallen hè?' Terwijl ik die laatste woorden uitsprak dacht ik: als ik haar maar niet op ideeën breng. Nadat ik m'n fiets had losgekoppeld ging ik toch maar even kijken. Er zaten drie dronken meiden op een rij en verder stond er alleen de tas van de vrouw. Het zou toch niet... Ik vroeg of ze een blonde vrouw hadden gezien. 'O, dat oude wijf. Die is even pissen. Wij letten op haar tas.'

In de verte hoorde ik haar gillen: 'Is dat die leuke jongen weer? Vraag hem zijn telefoonnummer! Ik móet met hem bellen!' Het nummer dat ik heb gegeven klopte, op een haar na.

zondag 10 april 2011

25 jaar Live To Tell, 25 jaar Madonna-fan



Het is precies 25 jaar geleden dat ik van mijn spaargeld mijn eerste radio-cassetterecorder kocht. Het was een mono-gevalletje van niks met maar één speaker, maar ik was als een kind zo blij met My First Samsung. Er ging een wereld voor me open toen ik de radiozenders ontdekte. Het duurde niet lang voor ik de Top 40 uit mijn hoofd kende en al snel stelde ik mijn eigen hitlijsten samen.

Precies 25 jaar geleden is het ook, dat Live To Tell van Madonna opdook in de hitlijsten. Het is nog altijd een van mijn favoriete Madonna-tracks, deze typische jarentachtigballad van epische proporties. Ik was voornamelijk onder de indruk van het feit dat Madonna in de bijbehorende video de verpersoonlijking was van ultieme glamour. Wat vond ik haar er fantastisch uitzien. Het door de zon aangeraakte haar perfect in de krul, een klassiek gezicht met Zuid-Europeaanse trekken en haar simpele doch geraffineerde bloemetjesjurk. Zelfs op mijn elfde zag ik al dat Madonna een voorbeeld was van pure stijl en klasse. Alles klopte gewoon.

Twee maanden later kwam Madonna met een nieuw lied voorbij op mijn transistor. Papa Don't Preach had een intro van klassiek vioolspel, waarna zich een persoonlijk drama ontvouwde over het al dan niet aborteren van haar ongeboren kind. Dat laatste las ik in de Hitkrant, want mijn Engels was destijds van zulke belabberde kwaliteit dat ik heel lang een beetje 'Budaweeho my my!' deed, waar Madonna 'But I made up my mind' zong. Maar ik was hooked. In de video had ze namelijk én een strakke zwarte bustier met Alexis-haar, én een eenvoudige wortelspijkerbroek waarbij ze het haar in een sluike coupe droeg. Een vrouw met vele gezichten...



Toen kwam True Blue. De video was een fifties-pastiche waarin Madonna te zien was met haar beste vriendinnen (dat dacht ik destijds). Haar haar in een suikerspin, felblauwe make-up, Madonna liggend op een diner-counter of zittend achter het stuur van een Amerikaanse slee: ze nam me mee naar een wereld vol vergane James Dean & Marilyn Monroe-glorie. Pure romantiek vond ik het.



Intussen had ik ook het concept 'album' ontdekt. Dat een artiest eerst een single uitbrengt, vervolgens een plaat met tien of elf liedjes en daar in ongeveer een jaar tijd nog drie of vier singles vanaf plukt. Van een klasgenootje had ik een cassettebandje van het True Blue-album gekopieerd. Het grote raden van de vierde single was begonnen. En ik had het goed! Wat ik dan weer niet had voorspeld was het kinky gehalte van Open Your Heart. Nog altijd was Madonna classy, deze keer zelfs met een prachtige zwarte pruik. Maar dat ze een soort van hoer speelde in een peepshow? Dat vond ik raar en spannend tegelijk.



Aan het einde van het jaar kwam uiteraard ook het jaaroverzicht op de radio. Ze stonden er allemaal in, de vier Madonna-hits die ik inmiddels fonetisch meezong. Maar hè? Wat was dat nou? Helemaal in het begin van 1986 bleek de platenmaatschappij Borderline opnieuw te hebben uitgebracht, om het succes van Madonna's First Album nog wat uit te melken. En ook dat nummer had een plek in de eindejaarslijst. Toen die lijst vervolgens ook nog eens op tv werd uitgezonden, en Borderline één van de uitgezonden hits bleek, viel mijn mond zeker een minuut of anderhalf open van pure verbazing.

WAS DEZE PUNKSLOERIE DIE KLASSIEKE SCHOONHEID SLASH MIJN ONTDEKKING, MADONNA?

Ik was verbaasd, confuus en opgewonden tegelijk. Want hoe bestond het dat die mooie mevrouw in die bloemetjesjurk, die wortelspijkerbroek, met die suikerspin en die zwarte pruik nog geen jaar daarvoor zo'n ordinair meisje was? Dat al kauwgomkauwend jongens van zich afduwde, met drie kleuren uitgroei, in versleten spijkergoed en met gescheurde panty's, volledig behangen met kruizen, kettingen en rinkelende armbanden?



Vanaf dat moment was ik fan. Geobsedeerd begon ik alles over Madonna te verzamelen en gaandeweg kwam ik erachter dat ze dus al tig hits had gescoord, met Like a Virgin als ondeugend hoogtepunt. Al gauw had ik mijn tienerkamer volhangen met Madonna-posters. De linkermuur reserveerde ik voor de Madonna zoals ik haar had leren kennen, op de rechtermuur kwam slet-Madonna te hangen. Mijn zusjes maakte ik wijs dat het om twee volstrekt verschillende persoonlijkheden ging, wat ik destijds ontzettend grappig vond. Kinderhumor.

De liefde voor Madonna groeide en groeide. Mijn eerste officieel in een winkel gekochte cassettebandje was het remixproject You Can Dance. Op school wisselde ik wederwaardigheden uit met de meiden uit mijn klas over Madonna's huwelijk met Sjon Penn. Over haar Who's That Girl-tour die ook Nederland aandeed, maar waar niemand naar toe mocht. Wat later niet erg was, 'want ze zong toch hartstikke vals.' En ze deed niet eens I Know It, wat toen om de een of andere vage reden mijn favoriete Madonna-track was.

Ergens in het archief ligt nog een verzameling Madonna-posters en -plaatjes. Leuke anekdote hierbij is dat de Wehkamp-catalogus in 1987 volstond met foto's van interieurs met bureaus, met daarop een multomap met Madonna-cover. En hoe minuscuul ook: ik heb ál die plaatjes uit de Wehkampgids, die dus allemaal hetzelfde waren, uitgeknipt en veiliggesteld voor mijn verzameling. Datzelfde gold ook voor de True Blue-dekbedhoes die in dezelfde catalogus menig tienerbed sierde. Ik zei het al: volkomen geobsedeerd.

Inmiddels heb ik Madonna vier keer live gezien. In 2001 trokken we met een groep van zes man naar Parijs, want het zou zomaar eens de allerlaatste tour kunnen zijn geweest, dachten we toen. Drie jaar later ging ik speciaal voor Madge naar New York, maar de laatste twee shows heb ik gewoon in Amsterdam bekeken.

Tot ongeveer een jaar of vijf geleden is Madonna me keer op keer blijven verbazen. Daarna gaf ze me het gevoel de feeling met de tijdgeest een beetje kwijt te zijn. Haar laatste creatieve piek behaalde ze wat mij betreft met Hung Up, dat in al zijn geniale eenvoud nog één keer liet zien waarom ik ook alweer fan was. Het was diezelfde geraffineerde klasse waarbij alles weer eens klopte.

Ook eerder viel het me op dat Madonna haar focus kwijt was. Het vorige hoogtepunt lag bij Music, waar ze zich ontpopte als cyberdiva met Amerikaanse roots. Met Don't Tell Me als ultiem hoogtepunt. Daarna ging het mis: American Life was een potsierlijk album met kinderachtige raps. Nothing Fails, een prachtige ballad, maar compleet kapotgeproduceerd. De ene dag hing ze het morele geweten van Amerika uit in haar militante legeroutfit, de dag erna las ze vanachter haar leesbril voor uit haar zelfgeschreven kinderboek, in een malle jurk. Om van dat vreselijke Britney-duet en later die tongzoen maar te zwijgen...

Met Hung Up kwam die focus dus heel even weer bovendrijven. Ben heel benieuwd of haar dat nog een keer gaat lukken. Voor zolang het duurt:

I have a tale to tell
Sometimes it gets so hard to hide it well
I was not ready for the fall
Too blind to see the writing on the wall

A man can tell a thousand lies
I've learned my lesson well
Hope I live to tell
The secret I have learned, 'till then
It will burn inside of me

I know where beauty lives
I've seen it once, I know the warm she gives
The light that you could never see
It shines inside, you can't take that from me

The truth is never far behind
You kept it hidden well
If I live to tell
The secret I knew then
Will I ever have the chance again

If I ran away, I'd never have the strength
To go very far
How could they hear the beating of my heart
Will it grow cold
The secret that I hide, will I grow old
How would they hear
When would they learn
How would they know

dinsdag 5 april 2011

Information overload

Tot zo'n vijf jaar geleden hadden we hier thuis twee kranten, het Parool en de Volkskrant. Die las ik elke dag. Niet alles, maar wel zoveel dat ik er een uur of langer mee zoet was. Dan waren er nog abonnementen op de VPRO Gids en later Hollands Diep, het Britse muziekblad Q plus de Amerikaanse bladen Paper en Vanity Fair. Verder kocht ik veel magazines los, van Linda (guilty pleasure) tot Vrij Nederland en van V magazine tot W. Inmiddels zijn daar alleen Volkskrant, Q en de tv-gids nog van over. Voor zover het papier.

Of nee, toch niet. Want sinds een jaar of zes heb ik het lezen van boeken herontdekt. Nederlandse literatuur van Charlotte Mutsaers en Arnon Grunberg. De vuistdikke romans van Haruki Murakami. Bakkenvol non-fictie zoals De Prooi. De humoristische schrijfsels van David Sedaris en autobiografieën van Joan Rivers tot Bill Clinton. Kijkboeken vol Amsterdamse architectuur, Pop Art of de ondergelopen wijken van New Orleans. Er komt werkelijk geen eind aan.

In de kast een serie dvd's met het hele oeuvre van Michiel van Erp, nog in plastic. Zes seizoenen Soprano's, onbekeken. Mad Men? Nooit aan begonnen. Wel kijken we naar The Wire, Modern Family, Nurse Jackie, True Blood, Diary of a Call Girl, Bloedverwanten en Adam en Eva, Twin Peaks, Dynasty, Dexter en Six Feet Under (dit is slechts een kleine greep). Fijn, al die dvd's. Maar dan hebben we ook nog een harddiskrecorder vol afleveringen van Glamourland, Air Crash Investigation, pulptv als Oh Oh Tirol en Gooise meisjes in de jungle en films als The Reader en One Flew Over The Cuckoo's Nest.

Films! Films! Een onuitputtelijk on demandmenu zorgt ervoor dat ik me continu schuldig voel dat ik alweer een jaar of tien zo'n beetje alle arthousefilms links laat liggen. Waar ik vroeger trouw aanschoof in Kriterion om naar zwaar verantwoorde internationale cinema te kijken, mis ik nu zelfs de blockbusters. Ja, Black Swan heb ik gezien, in een zaal vol popcornvretende bontkraagjes. Werd gek van het geknaag om me heen. Op het verlanglijstje staan onder andere The King's Speech en The Fighter, maar het komt er gewoon niet van. On demand kijken dan maar? Of naar de gedownloade docu's en films op de externe harde schijf? Ja leuk! Maar wanneer dan?

Want er is ook nog toneel. Aan het begin van elk theaterseizoen stel ik altijd een compleet programma samen dat bestaat uit vertaalde klassiekers van Toneelgroep Amsterdam en absurditeiten van toneelgroep Carver tot cabaretvoorstellingen van Marc-Marie Huijbrechts en Ronald Goedemondt. Nu is die laatste steevast uitverkocht en vangen we bot, maar tot voor een paar jaar stond zo'n beetje iedere twee weken een avondje theater op het programma. Gelukkig kom je daar nauwelijks popcornvreters tegen, maar vaak is het toch nog stressen. Een race tegen de klok omdat zo'n voorstelling vaak al om acht uur begint. Een garderobe die zo is ingericht dat je continu in je nek gerocheld word door uit hun bek meurende theaterbejaarden (en daar zijn er véél van!).

Popconcerten. Ook zoiets waar ik liever niet op bezuinig. Als een Grace Jones of een Robyn in Amsterdam komt optreden móet ik erbij zijn. Net als honderden anderen trouwens, dus ergens ontspannen naar luisteren is er vaak niet bij. Bovendien is het gros van het publiek zo hondsbrutaal dat het er dwars doorheen tettert, ook al is het verstild akoestisch gitaargetokkel in de bovenzaal van Paradiso. En daar weiger ik me nog aan te ergeren of geld aan te verspillen.

De allerergste information overload dringt zich aan je op via internet. Voor al het bovenstaande geldt: je kunt overwegen je erin te storten, of niet. Een boek kun je wegleggen, de tv kan uit. Maar met internet en mobiel ligt het net even anders... Zodra je wakker wordt begint het al: zoveel oproepen gemist, zoveel sms-berichten binnen, Whatsapp zegt +4, Facebook schiet voorbij over je scherm, er zijn nieuwe @replies op Twitter en wie weet wie en wat zich er achter de Direct Messages verscholen houdt.

En zo gaat het de hele dag door. Floep, daar licht je iPhonescherm weer op. 'Hoe was het gisteren?' Als je niet reageert kon dat zomaar verkeerd worden uitgelegd. Plop, een tweet met een link naar een blog. Even lezen. Iemand twittert een foto van een punt appeltaart of een zak m&m's. Goh, toch even door de rest van de uploads scrollen. Tik tik! Facebook-chat staat per ongeluk aan. 'What's up?' 'Mwaaaah, druk!' Waarmee dan? Ja, met het begeleiden van al die verschillende informatiestromen. Ffffoep! Een uitnodiging via de mail: bekijk dit-en-dat via Uitzendinggemist.nl. In de tussentijd barst er een discussie los tussen ex-collega's over het nut van vrouwenbladen. Toch even meelurken, wie weet kan ik nog een duit in het zakje doen. Updates 'liken' op Facebook zodat je in ieder geval op de hoogte wordt gehouden van comments die volgen.

Al chattend, mailend en viberend probeer ik tussendoor ook nog een aantal blogs bij te houden. Dlisted voor de celebrity smut, Pitchfork, Hardcandy, Stereogum en nog een aantal blogs voor de muziek. Vakmatig lees ik Emerce, MarketingFacts, Villamedia en Distrifood (ook slechts een greep). Om me te ergeren speur ik Telegraaf.nl af naar Tokkie-reacties. En dan moet ik zelf ook nog overal op reageren, over bloggen, naar kijken, een mening over hebben, en dat weer 'in real life' delen met de collega's die in 3D om me heen zitten.

Het is een kwestie van continu keuzes maken. Wat nu, wat straks? Wat wel lezen, wat niet bekijken? Waar wel op ingaan, en waar niet? Want in de tussentijd heb ik ook nog een relatie, familie en een sociaal leven met nog meer van die echte 3D-vrienden en -kennissen, die ik overigens deels ken of weer heb teruggevonden via Facebook en Twitter. Die best even hun smartphone mogen checken als ze op bezoek zijn. Of een ongelezen krant van tafel pakken om in te bladeren. Van wie ik toch al ergens heb gelezen wat ze die dag gedaan, gelezen of gezien hebben, dus dat praat meteen een stuk makkelijker. O ja, en dan werk ik ook nog min of meer fulltime, plus dat ik daardoor ook nog alles wat in Winq en Adformatie staat moet zien te lezen.

Terwijl ik dit zo zit te tikken denk ik terug aan onze vakantie in Thailand. We werden wakker met het ruisen van de zee als achtergrondmuziek. De hele dag geen kranten, geen tv. Geen twitter om te F5-en, al was er supersnelle wifi. Niet hysterisch alle albums van de Human League downloaden omdat ik te lui ben om ze één etage hoger uit de kast te pakken. Geen interviews van zes pagina's met politici die we over drie jaar toch alweer vergeten zijn. Geen digitale herrie, geen woordendiarree. Niemand die je lastig valt via wat voor kanaal dan ook, want je bent weg, weg, weg.

Hoewel ik haast iedere dag interessante mensen ontmoet, dingen lees waarvan ik 'oooohhhh' wil denken, graag op de hoogte blijf en al tikkend aan dit stuk minstens vijf keer op Twitter heb gekeken, denk ik heel af en toe wel eens: ik wil alleen die zee. Dat is genoeg.

maandag 4 april 2011

De homodocent

Op de lagere school had ik een docent, een meester zoals wij hem noemden, die voor dorpse begrippen een tikje flamboyant was. En dat is nog zacht uitgedrukt. De meester, we zullen 'm voor het gemak maar even Gerrit noemen want zo heette hij nou eenmaal, had het uiterlijk van een teddybeer. Een forse buik, een bolle toet, een volle berenbaard en een guitige oogopslag. Met die oogopslag kon Gerrit diverse kunstjes. Als je hem op een willekeurig moment recht aankeek, sprong z'n gezicht in een grimas en gaf hij je een vet aangezette knipoog. Vertelde je iets dat Gerrit oninteressant vond, dan zag je dat aan het wegdraaien van zijn ogen.

Maar Gerrit kon meer dan kunstjes met zijn gezicht. Gerrit was namelijk hyper-, über-, megamuzikaal. Zo regelde hij muziekles voor alle leerlingen die niet bij hem in de klas zaten. Op een bepaald uur in de week kwam Gerrit dan binnenfladderen. Hij toverde zijn blokfluit tevoorschijn en leerde ons de meest onmogelijke oud-Hollandse liedjes. 'Daar was een wuf dat spon'. 'Ik ben de herder welgemoed die de koeien op zijn weide hoedt.' Waar de leerlingen bedremmeld meemurmelden, zong Gerrit voor, uit volle borst! Een ander spelletje dat Gerrit graag met de leerlingen mocht uithalen, was het zingen van canons. Dan verdeelde hij de klas in tweeën en moesten we meerstemmig aan de slag met het Deense 'Rosen Fra Fuun' of toonladders tegen elkaar in zingen.

Dan was er het volksdansen. Tijdens oudermiddagen hoste Gerrit in een boerenkiel over het schoolplein, met een sliert kinderen in zijn kielzog: alsof hij de rattenvanger van Hamelen himself was. Stilzitten kon Gerrit ook. Zo vertelde hij het verhaal van The Sound of Music als een wekelijks feuilleton. Het heeft zeker een maand of negen geduurd voor de Von Trapps de Alpen overstaken, en in de tussentijd vermaakte hij ons met do-re-mi en andere liedjes uit de film. Die ik nog steeds niet uit mijn kop krijg.

Het was een schijtdorpje van niks waar ik op school zat. Gerrit was dan ook 'the only gay in the village'. Als negenjarig jongetje kon ik moeilijk beredeneren waarom, maar bij het huwelijk met zijn al even op een beer lijkende vrouw heb ik me nooit iets kunnen voorstellen. Of het huwelijk stand heeft gehouden? Geen idee. Maar op Hyves ziet Gerrit er erg blij uit in z'n hippe neonkleurige tanktop, z'n zilveren armband en z'n glimketting. Of Gerrit écht gay was, weet ik natuurlijk niet. Maar hij zorgde voor tralala in een duffe omgeving en dat vind ik achteraf erg grappig.