Posts tonen met het label leed en ellende. Alle posts tonen
Posts tonen met het label leed en ellende. Alle posts tonen

zondag 25 november 2012

Bizarre jeugdherinneringen

Waarom kan ik me bijna niets meer herinneren van leuke verjaardagsfeestjes uit mijn jeugd, maar wel heel veel vreemde andere dingen? Gek hoe je kindergeheugen werkt als een zeef die zogenaamde hoogtepunten laat glippen en totaal onbelangrijke details in je hoofd laat rondspoken. Want waarom weet ik bijvoorbeeld nog dat ik, een jaar of negen, achter mijn vader aanliep in de Haagse Panorama Mesdag, bedelend om een smartiedrol? Juist, met een d, al ging dat per ongeluk. Dat wist ik zeker en dat weet ik nu nog, maar het lukte me keer op keer niet het woord normaal uit te spreken. Niet gek dat mijn vader mijn verzoek compleet negeerde.

Een andere herinnering gaat over het broertje van een jongen uit mijn klas, dat niet kon poepen. Er mankeerde iets aan zijn darmstelsel of in ieder geval aan de ontknoping daarvan. Zijn rectum moest daartoe worden opgerekt. Of dat operatief ging of door middel van oefeningen, vertelt mijn herinnering er niet bij. Wel dat hij meerdere keren naar het ziekenhuis moest. Mijn moeder had hem daarom een kaartje gestuurd met op de achterkant de vraag: 'Ben je nu op de helft?' Ik kreeg daar behoorlijk enge associaties bij.

Nog één in het genre kinderziektes. Een meisje op school had een groot gat in haar arm, ter hoogte van haar elleboog. Er zat zwart spul op. Nu denk ik teerzalf of iets anders, toen dacht ik dat zoiets uit je lichaam liep indien dat besmet was. De juf had namelijk gezegd dat we niet aan de wond mochten zitten vanwege infectiegevaar. Dus dachten we met z'n allen dat ze besmettelijk was. Wat gebeurde er: precies ik moest naast dat meisje zitten. Natuurlijk kwam ik met de wond in aanraking en ik wist niet hoe snel ik naar de wc moest om mijn arm af te spoelen. Ik heb zeker nog een maand mijn hele lichaam gecontroleerd op de uitstorting van enge zwarte sappen.

Nu ik het zo opschrijf zijn het herinneringen die voortkomen uit gene, walging of angst. Of ik me dan niets vrolijks kan herinneren? Jazeker wel. We speelden altijd bij een vriendje op zolder. Daarvoor moesten we over de balken lopen, de vloer zelf was half vergaan. Achterop die zolder stond een grote ijzeren kast. Daarin lag een helm. Opa's helm. Daar speelden we mee, maar ik moest zweren dat ik er nooit iets over zou zeggen. Tegen niemand. Dus dat deed ik dan ook niet. Maar hij stond best leuk, die helm, op mijn blonde, arische kinderhoofdje.

dinsdag 16 oktober 2012

Haartransplantatie

Het is druk in lijn 10. Op het Weteringcircuit stappen twee vrouwen en een man in, zo te horen collega’s van elkaar. Ik val in het gesprek op het moment dat het gaat over de gemiddelde leeftijd van de afdeling waar de drie werken. We noemen ze even Vrouw1, Vrouw2 en Paul.

Vrouw1: ‘Wel fijn, een beetje vers bloed. En lekker jong ook.’
Vrouw2: ’36. Noem je dat lekker jong?’
Vrouw1: ‘Het trekt in elk geval de gemiddelde leeftijd niet omhoog. Die is 37.’
Vrouw2: ‘Wie zijn er allemaal ouder dan 37? Marijke, die is 49, Paulien…’
Vrouw1: ‘René is 45. Dat zou je echt niet zeggen.’
Vrouw2: ‘Nee, inderdaad. Nog een flinke bos zwart haar en geen enkele rimpel.’
Vrouw1: ‘Als ik René naast jou zou neerzetten, zou ik hem jonger schatten, Paul.’

Paul: ‘Nou, bedankt hè?’
Vrouw1: ‘Maar serieus. Hij ziet er een stuk jonger uit.’
Vrouw2: ‘Ja, nu je het zegt.’
Vrouw1: ‘Paul is dan ook al helemaal grijs, als hij het niet verft.’
Vrouw2: ‘En je kin gaat een beetje hangen ook, Paul.’

Paul: ‘Sja... M’n kop begint behoorlijk te veranderen. Maar grijs haar vind ik niet zo erg. Wel dat het snel dunner wordt.’
Vrouw1: ‘Dan neem je toch een haartransplantatie? Dat heeft Gerard Joling ook gedaan. Maar het is heus niet alleen voor homo’s hoor.’
Vrouw2: ‘En je verft je haar toch ook al? Dan is zo’n transplantatie niet eens zo’n grote stap.’
Vrouw1: ‘Bij Gerard Joling valt het alleen op omdat iedereen het weet. Van jou weet niemand het.’

Paul: ‘Behalve jullie. En de hele tram.’
Vrouw1: ‘Woehaha! Jij schaamt je toch niet omdat je je haar verft, Paul?’

Ze stappen uit op het Weesperplein. De twee vrouwen zich van geen kwaad bewust en de man een kopje kleiner.

maandag 15 oktober 2012

Respect? My ass!

Donderdag, 08.15 uur. Bus 65 richting Amstelstation. Ter hoogte van de Borneolaan staat een dikke negermeid in een veel te strakke jeans met aan een touwtje een allerschattigst knulletje van een jaar of drie. Als de bus stopt voor de halte, knalt ze nog net een hubbabubba aan stukken en slobbert die omstandig haar mond weer binnen.

Geïrriteerd trekt ze het jongetje achter zich omhoog de bus in. Ze wankelt door het gangpad, haar ene hand met een mobieltje tegen het oor, de ander trekt het jongetje voort. Ze plant het kind op de lege stoel voor me en gilt in de telefoon: 'BEN IK WEER! Waar was ik ook alweer gebleven. O, ja. Me kind dus. Loopt zomaar de straat op dus heb ik hem een riempje omgedaan. Een commentááár joh! Niet normaal. Waar bemoeit iedereen zich mee. Laat iedereen ze bek houden. Suuuuuhng!'

Al die tijd blokkeerden zij en haar kont het gangpad. Een ouder echtpaar - het vrouwtje een soort oldie-Gerda Havertong, haar man een lichte bochel - probeert zich staande te houden terwijl ze wachten tot de dikbil haar gesprek heeft afgerond. Dat wachten gaat gepaard met veel ge-tssk. Dan is mevrouw het zat. Ze prikt de meid in haar schouder en gilt: 'Zou je niet eens aan de kant gaan? Toon een beetje respect, ja?'

Dan gebeurt het. In slow motion draait de bil zich om en roept iets te nadrukkelijk in haar telefoon: 'Wacht even!' Intussen wurmt het bejaarde echtpaar zich door de draai ontstane opening en mompelt opnieuw iets over respect. 'Weet je hoeveel respect ik voor jullie heb?', gilt nu de dikbil door de bus. 'GEEN MOER! Ik moet hier mijn kind in bedwang houden en ik ben aan het bellen ja? Dat zie je toch? Je kan toch gewoon wachten tot ik je er langs laat? RESPECT? My ASS! En nou je bek houden.'

De mini-Gerda zegt nog dat 'ze wel weet uit wat voor nest jij komt' en pruttelt drie haltes later dat ze 'er alleen maar even langs wilde'. Al die tijd speelde het jongetje handjeklap met een medepassagier.

Hij zal het inmiddels wel gewend zijn, zo'n moeder.

donderdag 31 mei 2012

De kip, de vajayjay en het ei

Laatst kwam ik op Griekenland een kip tegen. Daar moest ik vanmorgen weer aan denken toen mijn collega het had over zijn kippen, die regelmatig van de leg zijn. Toen ik in Griekenland was, bedacht namelijk ik een geavanceerder systeem waar kippen slimmer bij af zijn tijdens het broeden. Heel simpel: waarom stopt de kip het ei niet terug in z'n eierhol - of hoe heet dat bij die beesten - en broedt zij het inwendig uit?

De kip hoeft hierdoor geen nest te bouwen, gaat gewoon lekker de hele dag haar gang en na een week of wat, zeg op het moment dat het ei op barsten staat, poept ze het weer uit. Ik legde dit idee voor aan mijn collega's, maar het landde nog niet direct. Collega 1 zei: 'Dat terugproppen vind ik zielig voor de vajayjay van de kip.' Collega 2: 'Wat als het ei breekt in de kip? Dat kan pijnlijke situaties opleveren als ze aambeien heeft.'

Nu weet ik niet hoeveel kippen er met aambeien rondlopen, niet zoveel lijkt me. Dus de schade zal in de praktijk waarschijnlijk meevallen. Nu de kip er nog van overtuigen dat ze haar leven veel efficiënter kan inrichten.

dinsdag 1 mei 2012

Stekelbaarsjes

Het grillseizoen ging afgelopen donderdag van start met een wel heel opmerkelijk gastoptreden. We zaten met wat mensen op de stoep bij café Koosje, wat bij twaalf graden al prima te doen is dankzij de terrasverwarmers. Grillen, zoals wij zitten onder het hittekanon noemen, is al een tijdje vaste prik. Zodra het weer het toelaat en iedereen tijd heeft, doen we ons tegoed aan vaasjes, vlammetjes en wat er aan gespuis voorbij wandelt.

Donderdag was het meteen raak. Het terras was verder uitgestorven, maar dat belette een bejaard stel niet om pal naast ons neer te strijken. Nou ja, strijken... neer te storten. We zagen ze in de verte al aan komen wankelen, een man die bij nadere bestudering niet ouder kon zijn geweest dan 55 (en dan toch bejaard lijken) met aan zijn arm een soort Willeke van Ammelrooy, maar dan vunzig. En laddertjezat.

De Willeke droeg een lang zwart gewaad van waaronder ze wijd gebarend begon te oreren. Wat ze zei weet nog steeds niemand, want er kwam alleen onsamenhangend geraaskal uit. Toen ze eenmaal zat, kreeg ze ons groepje in de gaten. We waren inmiddels uitgedund tot een trio, maar waarschijnlijk zag Willeke dubbel: 'Wie zijn jullie allemaal!', riep ze. 'Waar gaat het over!' Toevallig waren we net de beginselen van een yell aan het oefenen, die ze met rollende tong probeerde te herhalen.

Aangezien ik naast haar zat, was ik het eerst de klos. 'Hee, ben je homo of zo. Waarom kijk je me niet aan?' Haar negeren werd pas echt lastig toen ze hoog hinnikend in mijn oor begon te gillen. Het bleek Willekes 'signature lach' te zijn, die ze later losliet op mijn tafelgenoten.

Ze werd een beetje kribbig toen we haar bleven negeren. Ze voegde R. toe: 'Wat ben jij een klein mannetje. Als ik wil kan ik je zó omrollen! HAHAHAHAHAHA!' Al die tijd had haar partner in crime maar weinig gezegd. Toen de Willeke voor drie kwartier naar het toilet verdween kwam hij pas een beetje los. 'Jongens, doen jullie die yell nog eens? Dan kan ik ook een beetje lachen.'

Toen hij de vrouw uit de wc had gevist, was ons gezelschap weer uitgebreid tot vier. Ze deed een poging tot een dansje en riep: 'Heee! Moet je kijken! Een stekelbaarsje!' De vrouw wees naar het baardje van T., en begon opnieuw keihard te lachen. 'HAHAHAHA! Het zijn bijna allemaal stekelbaarsjes!' De Willeke blééf er bijna in.

Pas toen ze om seks begon te bedelen (R., achteraf: 'Ik zou d'r wel doen.') werd haar man het zat. Ze stonden op en waggelden weg. 'Nou, dan doe ik het wel gewoon weer met hem! HAHAHAHAHA!'

donderdag 12 april 2012

Bejaardenparfum

Alweer acht jaar geleden ben ik gestopt met roken. Als dank daarvoor kreeg ik mijn reukvermogen terug. Sindsdien ben ik gezegend met de eigenschap dat ik echt álles ruik. Denk ik. Heel goed ruiken is natuurlijk handig, maar het heeft ook zo z´n nadelen. Zo hoeft een collega maar even in de rook van een tramhalte hebben gestaan en ik ruik dat. En mensen die lyrisch raken bij de geur van versgebakken brood, die snap ik al helemaal niet. Ik mijd supermarkten als Albert Heijn als de pest als ik weet dat er zo´n afbakker z´n werk staat de doen. Werkelijk de hele winkel meurt naar die weeige broodlucht. Ook ga ik bijna over mijn nek als ik ´s ochtends de broodtrommel opendoe.

Maar versgebakken brood is niets vergeleken bij mensenluchtjes. Mensen die uit hun straatje stinken à la. Daar gooi je gewoon een pepermuntje in en ze zijn prima te hachelen. Veel viezer is het om de hele dag in iemands schoenenlucht te moeten zitten. Of in de stank van oud, bejaard zweet. Gisteravond was het weer eens zover. We gingen naar '1001 Nacht', een voorstelling van het Zuidelijk Toneel met Marc-Marie Huijbrechts en de Ashton Brothers (Wat ik ervan vond? Plat, ordinair en bij vlagen een aardige act. Een paar Ashton Brothers bijvoorbeeld, die in gorillakostuums seks met een negerslaaf uitbeeldden. Lees hier de recensies, die uit de Volkskrant komt nog het dichtst in de buurt van hoe ik het heb ervaren.)

Afijn. Ik rook het al toen ik ging zitten. Heel even dacht ik dat het zomerjasje dat ik na maanden uit de kast had gerukt geen ritje langs de stomerij had gemaakt. Maar aangezien ik al mijn jasjes de hele tijd laat stomen was dit geen optie. Ik rook rechts aan mijn frisgewassen vriend en fluisterde in zijn oor: 'het riekt hier.' Hij rook rechts aan de vrouw naast hem en vermoedde in haar de boosdoener. Gelukkig, dacht ik nog. Dan kon hij dus als buffer fungeren. Maar wacht, nu rook ik ook de geur van kleding die al weken niet is gewassen. Links van mij zat een wat muizig mens in een groezelig grijs t-shirt met haar programmaboekje te wapperen. Mijn kant op. Tegelijkertijd geeuwde ze, ook mijn kant op. Een onbeschrijflijke putlucht drong mijn neusvleugels binnen: zuur, rot, zwavel. Zweet. Ze stonk uit haar mond naar zwéét!

Het eerste kwartier van de voorstelling heb ik geprobeerd het te negeren. Toen bleek dat die zweetlucht niet uit de dame haar mond kwam, maar uit haar oksel. Dat merkte ik toen ze enthousiast begon te klappen en de stank aanzwol tot orkaankracht. Terwijl ik met m'n tanden op elkaar zat te vloeken vervuilde zij mijn aura met haar verstikkende odeur. Uiteindelijk heb ik een uur en twintig minuten mijn adem ingehouden en toen was het pauze.

Wie ervaring heeft met toiletemmers op campings, weet dat je die na het vullen niet te lang in de hitte moet laten staan. Dan komt er een dik vel op de urine en de boel gaat broeien, schiften en uiteindelijk gisten. Trek je daarna het deksel eraf (dat is dan al een klein beetje vacuum gezogen dus dit gaat met een klein sisje), dan slaat de allesbedervende stank gelijk op je keel en op je ogen. Alleen als je over een ijzersterke kokhalsreflex beschikt valt de boel te redden, maar de paniek die je bekruipt... Tranen met tuiten!

Het was dus pauze. Na alle stankvarianten gehad te hebben kwam er nog eentje bij toen de vrouw ging staan. Die van de hierboven beschreven toiletemmer. En inderdaad: kokken met tranen in m'n ogen.

dinsdag 17 januari 2012

Zweedse meisjes, het vervolg: Sita het Hongaarse meisje

Lees eerst het vorige verhaal over de Zweedse meisjes. Dit is dus het vervolg.

Aangezien het mentorvader- en -moederschap ons goed was bevallen, bedachten Nina Rosa en ik ons geen moment toen zich in het nieuwe studiejaar wederom een mentormeisje aandiende. Deze keer had het lot bepaald dat we een Hongaarse studente ter opvang kregen, Sita genaamd.

Sita was een donkerharige schone met ravissant zwart haar. Als ze lachte tenminste. De eerste vijf minuten deed ze dat nog volop, al was ze na een week nog steeds vermoeid van de uitputtende reis die haar van een Hongaars bergdorpje naar Utrecht had geleid. We maakten kennis met een kopje thee en om het ijs te breken stelden we haar nieuwsgierig de ene vraag na de andere. Sita vroeg niets terug. Na een minuut of tien was ze het eenzijdige verhoor zat en ze zei: 'Dat hoeven jullie allemaal niet te weten.'

Een paar dagen later informeerden we voorzichtig bij het Buitenlandsestudentenhuis op het Janskerkhof hoe het Sita beviel, hier in Nederland. Ze had al die dagen binnen gezeten, ook al hadden we haar gewezen waar het postkantoor was. We waren op dat moment nog vast voornemens haar de Afsluitdijk te laten zien en een oer-Hollandse maaltijd voor haar te koken. Toen nog wel.

Gedurende een periode van drie maanden hebben we om de zoveel dagen geprobeerd contact te leggen met Sita. Vaak schold ze mopperend in de telefoon wat voor koud kutland Nederland was. En dat iedereen vervelend tegen haar deed. En waarom hier geen goulashsoep in ruime hoeveelheden voorhanden was. Waarom ik stiekem naar haar vriendje had gegluurd toen hij een paar dagen over was uit Hongarije (wat overigens niet zo was, de jongen had de uitstraling van een hork met z'n platvissengezicht). Waarom iedereen hier Nederlands sprak. Waarom haar huisgenoten zo vervelend waren. En zo ging het vaak nog even door.

Het lachen was Sita totaal vergaan. Het schone was er dus wel vanaf. En dat ravissant zwarte haar hing inmiddels in vette slierten om haar hoofd. Zo verwaterde het contact, dat op het eind tot een onverwachte climax kwam. Sita had namelijk besloten ons te trakteren op een afscheidsetentje! Dat ze wegging moest inderdaad groots gevierd worden.

We belden aan. Een buitenlandse student (een hele leuke, aardige, Jessica en Jenny-achtige) deed open en stuurde ons door naar Sita's kamer. Daar lag ze, languit op de grond met het gezicht naar de vloer. Bezorgd vroegen we of het wel goed met haar ging. Sita deelde haar kamer met een Amerikaanse Kimberley. Zo'n doorsnee Natalee Holloway-kloon die haar helft van de kamer had behangen met roze schilderijlijstjes vol vriendinnenfoto's. 'Zo lig ik hier altijd', zei Sita. 'Dan hoef ik die stomme blije foto's van Kimberley of hoe ze ook heet niet te zien.'

Zwaar geïrriteerd ging Sita ons voor naar de keuken. Ze viste een vieze pan uit de gootsteen en hield deze voor de vorm onder een lauwe waterstraal. Daarna mikte ze de pan voor de helft vol met macaroni, gooide er wat blokken kaas en bevroren spinazie door en zette hem op het vuur. Na een kwartier was het 'eten' 'klaar'. Na een half uur stonden we weer buiten, nadat we Sita omstandig hadden bedankt voor de feestelijke maaltijd. Voor de vorm telefoonnummers uitwisselen konden we niet meer opbrengen.

En zo eindigde het o-zo vrolijke mentorverhaal in een debâcle. Aan een nieuwe lichting studenten zijn we dan ook nooit begonnen.

maandag 18 juli 2011

Vakantie in een huisje

Lekker weg in eigen land. Dat kan op talloze manieren. Laten wij nou net iets hebben bedacht waardoor we nooit, maar dan ook nooit meer bij een particulier in een huisje willen...

Het was nog in de tijd dat lang niet alles op internet stond. Wanneer we nu iets zouden boeken, willen we tenminste dertig mogelijkheden bekijken en zeker zoveel foto's van accomodaties voorbij zien komen. Maar in 2003 vertrouwden we nog blind op de pagina's met mini-advertenties in de Volkskrant.

Aan de telefoon klonk ze precies zoals we hadden verwacht van iemand die huisjes verhuurt naast een boerderij in het Overijsselse Holten. We verdachten haar er zelfs van haar accent extra aan te zetten voor net dat beetje extra couleur locale. Of de bungalow nog vrij was, in het derde weekend van juni. 'Ja hooooowa.' Of we zelf voor handdoeken moesten zorgen. 'Neeeeee hoooowa.' Beddengoed? 'Ooooook nie.' Dus alles is geregeld? 'Jaaa hoooowa!'

Voor de zekerheid hadden we er alvast bij gezegd dat er twee mannen in het huisje zouden overnachten. Maar ook dat was 'geeeeeen prooooobleeeem hooooowa!' Toch keek de uitbaatster enigzins verschrikt toen we eenmaal waren gearriveerd. Ze strompelde naar buiten op van die witleren klompen (strövels genaamd). Ietwat ongemakkelijk ging ze ons voor. De bungalow bleek zich te bevinden in een hoek van een boerderij, dus niet 'vlakbij de bossen' zoals de advertentie had beloofd. Het uitzicht: een weiland vol koeien zoals je dat 90% van de tijd vanuit de trein gewend bent.

Gehaast liet de vrouw zien hoe het gasfornuis werkte (net of we van plan waren daar te gaan koken) en maakte zich als een haas uit de voeten. Daar zaten we dan. In een bedompt hok met donkerbruine kurkmuren. Langs de ene wand een keukenblok waarvan de deuren half uit de voegen hingen. Het keukengerei bestond uit gietijzeren en tinnen potten en pannen, die gehavend en gedeukt uit de kastjes kletterden. Dan de zithoek. Twee verschoten bankstellen van donkerbruin ribfluweel, een houten schommelstoel met kromme spijlen en een salontafel met een ingelegd marmermozaiek. Oranje vitrages en bruine gordijnen maakten het geheel af. In een pitrieten lectuurmand lagen halfverscheurde Libelles en kruiswoordpuzzelboeken. We hebben werkelijk ons best gedaan iets te vinden dat er nog een beetje toonbaar uitzag, maar nee: zelfs de plinten van het huisje waren lelijk!

Van de drie nachten zijn we er twee gebleven. Het bed was namelijk klam en bovendien behoorlijk doorgezakt. Bovendien werkte de verwarming voor geen meter. Van uitslapen of uitrusten kwam al helemaal niets, aangezien er iedere ochtend vanaf een uur of zeven met donderend geraas op het land gewerkt werd.

Toen we een ochtend te vroeg afscheid namen van de klompenvrouw, vergat ze - waarschijnlijk van opluchting - te vragen waarom we nu al weggingen. En of het bevallen was. Het zei denk ik al genoeg dat het gastenboek vol jubelverhalen op 'onze' pagina opvallend leeg is gebleven. Nee, een dergelijk primitieve huisjesvakantie kan ik werkelijk niemand aanraden...

zaterdag 16 april 2011

Volkomen overbodige ergernissen

Veel mensen leiden aan hetzelfde euvel als ik. Ze zullen het evenals ik niet graag toegeven, want je zet jezelf er nogal mee te kijk. Het gaat hier namelijk over verspilde energie, over nutteloze aandacht voor volstrekt onbelangrijke zaken. Ergernissen die zomaar ineens opduiken en waar niemand iets mee opschiet. Zeker ikzelf niet. Maar ze bestaan, dus laat ik er maar aan toegeven.

Het begon al op de basisschool. Daar hing een juf rond die een heel schooljaar lang bijna elke dag hetzelfde aanhad. Ze ging gekleed in een wit overhemd, met daarop aan de voorkant de felgekleurde panden van een gilet erop genaaid. Aan de achterkant zat niets. Die juf deed er nooit een jasje over aan, wat mij wel de bedoeling leek: dan wekte je immers nog de schijn dat je een echt gilet over je nette blouse had aangetrokken. Nu liep ze het hele jaar voor lul in dat bloesje met twee rare gilet-flappen die ook nog eens om haar heen fladderden. Want reken maar dat ze de knoopjes niet dichtdeed. Met mijn tienjarige verstand vond ik het getuigen van creatieve armoede en daar heb me dus minstens een jaar aan moeten ergeren.

Een ander voorbeeld. Begin deze eeuw werkte ik op een kantoor waar dagelijks gezamenlijk geluncht werd. Erg leuk en vaak gezellig, tot het moment dat een van de collega's Hüttenkäse op zijn brood wilde doen. Hoe irritant was zijn uitspraak van dat woord! De collega - verder een prima vent - probeerde het op z'n Zweeds mogelijk te vragen: 'Mag ik de (let op het aanloopje) uuhHhhEUtenKèèèèse?' What the fuck: 'uuhHhhEUtenKèèèèse'? Terwijl de andere collega's gewoon doorkeuvelden over Kane-concerten en andere ellende, kromp ik dagelijks ineen van inwendig beleefd leed. Ik moest een tactiek verzinnen op dit vreselijke Hüttenkäse-probleem. De oplossing: weg-elimineren. In het begin keek ik 's ochtends in de koelkast en gooide ik de Hüttenkäse weg. Maar dat leidde tijdens het eten tot de vraag: 'Is de uuhHhhEUtenKèèèèse nu al op? Wil je morgen nieuwe uuhHhhEUtenKèèèèse meenemen? Jammer, ik had zo graag uuhHhhEUtenKèèèèse op brood gehad.' Aan mijn kant van de tafel: 'Aaargh' keer drie. Wat uiteindelijk het best heeft gewerkt: gewoon dat doosje Hüttenkäse alvast naast hem neerleggen zodra we gingen eten.

Een paar jaar later. Op weer een andere redactie. Deze collega belde elke middag om vijf uur stipt met zijn vriendin. Een heel klein vriendinnetje, denk ik, want hij sprak haar aan als een kleuter. 'Hai lieffie! Hoe istie? Alles goed? Heb je lekker gewerkt vandaag? Ja? Oh... Wat wil je eten lieffie? Lekker pastaatje maken met kaas? En groentjes? Wit wijntje d'r bij? Kusje. Doei!' En dat elke dag, al varieerde hij af en toe met de gerechten in de pasta. Maar dat was nog niet eens het ergste. Want terwijl je met kromme tenen het gesprek zat af te luisteren, krabde deze collega zichzelf tot de schilfers over z'n toetsenbord dansten. Juist de combinatie van dat lieve gefluister in de hoorn en een geruchtmakend huidprobleem deed mij huiveren van ergernis. Ook deze collega was in de omgang redelijk te doen, maar dit soort vunzigheid zorgde voor een verstoorde werkrelatie. In mijn hoofd, dan. Overigens ging dat krabben de hele dag door. Tschk, tschk, tschk. Tschk, tschk, tschk.

Tot slot erger ik me aan gesprekken in restaurants tussen groepen zakenmensen die elkaar niet of nauwelijks kennen. Als ik zie dat er aan de tafel naast me een dergelijk gezelschap neerstrijkt, móet ik observeren. Je ziet meteen wat de rolverdeling is. Vaak is er zo'n manager die plotseling alle conversaties overruled met een misplaatste grap. Of een behaagziek communicatiemeisje dat iedere gast (vaak buitenlanders die met een vies gezicht de menukaart bestuderen) gerust wil stellen en iets te hoog giechelt. Iemand van de afdeling H.R. die het alleen maar over de bedrijfsprocessen wil hebben. In steenkolen-Engels: 'So how is the work process in your company going? Do you have a lot of workmembers to care about?' Intussen zoeken de buitenlandse gasten aansluiting bij elkaar, met voorbeelden uit vorige reizen naar Nederland. Die gaan steevast over canal cruises, Vén Goow, Britse horken van toeristen waarvoor ze zich schamen en altijd over het symposium dat de vorige keer ook al niet geslaagd was. En daarna de manager weer, die met een lepel tegen z'n glas tikt en een onsamenhangende speech begint te geven. Het eindigt steevast met een opgelucht applaus van de toehoorders, waarna ze het - eindelijk verbroederd - op een zuipen zetten. Het behaagzieke meisje giert nu iets te hoog boven het gezelschap uit, de H.R.-man zit intussen met z'n arm om de leuning van de buitenlandse rayonmanager (v) gevouwen en de avond eindigt in gelal. Werkelijk te genant voor woorden.

Kijk, daar erger ik me dus aan. Volkomen onterecht, want al deze mensen proberen er ook maar het beste van te maken. Op hun eigen, irritante manier. Misschien moet ik er gewoon een blogje over schrijven. Dat heeft vast meer nut dan al dat onzinnige geërger en het levert vast een amuserend verhaal op....

woensdag 9 maart 2011

Kotsen in een coltrui

Hoe we erbij kwamen weet ik niet meer precies, maar tijdens de lunch vandaag ging het ineens over kotsen. Braken. Overgeven. Gelukkig hoef ik nooit te kotsen, tenzij ik hondsberoerd ben en dat komt - ook gelukkig - maar weinig voor. De keren dat ik moest overgeven kan ik me dan ook levendig herinneren.

Het was een kille januaridag. Ik zat bevend op de bank. De col van mijn trui had ik tot halverwege mijn hoofd getrokken, in de hoop het iets sneller warm te krijgen. Nu heb je braakneigingen die zich uren van te voren aankondigen: ergens in je lijf gaan er alarmbellen af die ervoor zorgen dat je op tijd de wc haalt, of een daarvoor alvast klaargezette keukenemmer. Maar er zijn ook kotsbewegingen die zich acuut aan je opdringen.

Daar zat ik dus, in mijn coltrui. Hevig bibberend probeerde ik de controle over mijn lichaam te herwinnen toen er zich vanuit het nergens ineens BAAAAAARRRRFFFFF!!!! een keiharde straal kots via het nietsvermoedende keelgat naar buiten baande. Het was een eruptie van ongekende proporties. Nu hadden we die avond enorm zitten genieten van mijn geroemde spaghetti bolognese, waarop dat steeds zieker worden lichaam van me had besloten dat er nogmaals van genoten moest worden.

Daar zat ik dus. In mijn coltrui, waarvan de - toch al wijde - col er inmiddels was gaan uitzien als zo'n Soep In Zak van Knorr. Voorzichtig voelde ik aan de braakwaterbal, en ja hoor: warm, vloeibaar en inmiddels door de col heen druipend. Nu is er - helaas, zeg ik daarbij - maar één manier om een trui uit te trekken. Juist, over het hoofd. Geloof me: als je net ontzettend smerig hebt gekotst, wil je niet ook nog eens de hele inhoud van je maag over je hoofd uitsmeren. Maar het móest!

Om nog meer ellende te voorkomen (dat wil zeggen: stukjes overgeefsel tussen de plinten van een houten vloer - een ander verhaal in dit genre dat ik vast nog wel eens uit de doeken doe) kneep ik mijn col dicht en strompelde ik naar de badkamer. Daar trok ik de trui uit. Het resultaat: een gezicht vol halfverteerde spaghettislierten, brokjes tomatenprut in het haar en twee met gehaktresten dichtgeplakte ogen. Ook mijn neus zat verstopt, met iets dat ooit had geleken op een champignon. En zuur dat het rook! Van de weeromstuit begon ik opnieuw te spugen, deze keer in de nadruppelende trui die ik nog in mijn handen had.

Zo vierde ik mijn eigen bolognese-orgie. En die trui? Die heb ik nooit meer gedragen.

dinsdag 5 oktober 2010

Het haarkerkhof

Mijn buurtkapper is ter ziele. De boel is overgenomen door Cosmo en de kappers die mij knipten zijn naar de haarhemel gegaan. Nee, ze hebben niet collectief zelfmoord gepleegd, ze zijn écht vertrokken naar de Haarhemel, de naam van een kapsalon in de Amsterdamse Jordaan. Maar ik ging niet naar de Haarhemel. Aangezien ik graag vroeg geknipt wil worden en niet op ongure tijdstippen een halve stad wil doorkarren, besloot ik de Cosmo een kans te geven.

Maar wat een verschil met voorheen. Het oorspronkelijke, industrieel aandoende beton-met-metalen interieur was vakkundig weggestuukt achter smetteloos witte wanden. De twee lobbesachtige honden die vroeger rond je benen darden waren in geen velden en wegen te bekennen. Bij binnenkomst geen gezellig 'Heeej goedemorgen!', maar een uiterst vriendelijk maar even afstandelijk: 'Goedemojgen meneer, kan ik uw jas aannemen?' En waar ik vroeger bij wijze van spreken mijn eigen koffie uit de automaat tapte, kreeg ik hier niet eens iets aangeboden.

Dat terwijl koffie de eerste levensbehoefte is in een kapsalon, vooral ook om de keel te smeren voor het Belangrijke Eerste Gesprek. Dat komt na een eerste 'Gajenogopvakansie' of 'Nogwatleuksdoenditweekend' meestal wel op gang, maar niet bij de Cosmo-dames. Ze vrágen het wel, maar luisteren vervolgens niet naar het antwoord. Zoals ze ook niet luisteren naar mijn verzoek om 'stgakke haagtjes'. Het grapje landde niet: blijkbaar kijken de dames geen Oh Oh Cherso...

Ik mocht gelukkig nog wel kiezen tussen een standaard knipbeurt met Schwarzkopf-wassing vooraf, of een luxe behandeling met hoofdmassage met een dure shampoo voor extra geld. Ik koos voor het eerste, vooral omdat ik een jaar of vijftien geleden eens zo'n hoofdmassage bij een ander Cosmo-filiaal moest ondergaan. Tien minuten lang werden nek en slapen verveeld betast, terwijl de kapster door haar neusgaten warme adem over mijn voorhoofd blies. Nee dank je. Doe maar gewoon heel snel alles eraf knippen tot ik tevreden ben voor het standaard bedrag.

En of ik tevreden was? Nee. Ik had immers geen koffie op, en thuis zag ik dat ze weliswaar een poging hadden gedaan het haar te temmen met een tondeuse (mijn verzoek om strakke haartjes had ik inmiddels vertaald in een strak jaren vijftig kapsel met een scheiding en opgeschoren zij- en achterkant). Maar strak was het zeker niet. De volgende keer dan toch maar naar de Haarhemel, al had ik het lolliger gevonden als ze deze kapsalon het Haarkerkhof hadden genoemd. Want dat is het in wezen, natuurlijk.

maandag 16 augustus 2010

Ramptoerist

Voor mijn werk moet ik regelmatig op pad voor het afnemen van interviews of het bijwonen van bijeenkomsten. Meestal reis ik per trein. Ik doe dit werk nu een jaar of vijf, en de zeven jaar daarvoor zat ik nauwelijks in treinstellen. Ik weet niet helemaal wat er precies veranderd is, maar de gemiddelde coupé lijkt tegenwoordig op een open inrichting, met mij als ramptoerist ertussen.

Op weg naar Rotterdam streek er een mollige vrouw van rond de 25 naast me neer, er tegenover een getatoeëerd figuur van ongeveer net zo oud. 'En nu zit ie dus in de gevangenis, mijn ex. En na twee jaar durfde ik gisteren eindelijk te zeggen dat het nooit meer goed komt en dat ik een straatverbod wil als hij vrijkomt. En toen zei hij dat hij zich van kant ging maken als ik dat deed. En nu heb ik er nog eentje aan de haak geslagen die in de bak zit. Maar deze is lief hoor, deze slaat me niet' De tatoeages hoorden het verhaal gelaten aan, waarschijnlijk hadden ze het al honderd keer gehoord.

In Leiden volgde een overstap. Ik viel middenin een telefoongesprek. 'Ja, ze is nu tien maanden en toen ik haar vanmorgen om zes uur door elkaar rammelde begon ze niet eens te huilen. Dus ik denk dat ze ziek is. Hoeveel? 39,9 graden. Nee, ze is gewoon naar de crèche gegaan. Ja, nee, ik heb haar gebrácht. En nu bellen ze op dat ze heel sloom is. Zal ik misschien maar even langskomen?'

Stiekem verdenk ik sommige reizigers ervan dat ze de verhalen verzinnen omdat ze weten dat de zwijgende medepassagiers een dankbaar publiek vormen. Zelf zou ik dat namelijk wél doen. Sterker nog: als we vroeger op tienertoer gingen maakten we er een sport van om de waanzinnigste verhalen te bedenken. We streken neer naast het braafst ogende bejaarde stelletje en dan staken we van wal. Ik memoreer hier een gesprek dat ik hield samen met iemand die ik destijds Mirjam Boterham noemde.

- Erg hè, van Natas.
- Ja heel erg. Zag je die brandwonden in haar gezicht?
- Heeft haar dealer weer de hele dag z'n peuken op uit lopen drukken.
- Verder maakte ze best een montere indruk.
- Ja, voor iemand in haar toestand. Ik zou de hele dag in bed blijven liggen.
- Maar daar heeft ze de speed dan weer voor natuurlijk, dat houdt haar wakker.
- En dat kindje maar krijsen, in die wieg.
- Over brandwonden gesproken. Ik was echt even verbijsterd toen ik het zag.
- Ach, ik verbaas me nergens meer over. Dat dat kind daar nog steeds rondkruipt tussen al die naalden.
- Ooooooh, dan waren het ook geen brandwonden. Gewoon nááldwonden.
- Sinds hij haar moeder het ziekenhuis in heeft geslagen staat Natas er helemaal alleen voor. En dat is moeilijk hoor, een kindje opvoeden als je zo zwaar aan de drugs zit.

En zo gingen we door, net zolang tot het bejaarde echtpaar niet meer wist waar ze het zoeken moesten. Echter: in werkelijkheid is de waarheid schrijnender dan je in je gekste verzinsels kunt bedenken. Want op de terugreis wilde een Paulien Cornelisse-lookalike tegenover me gaan zitten. Toen ze zag dat mijn paraplu daar lag, slaakte ze een zucht vanuit de grond van haar hart. Ze keek me niet aan, zei niets, alleen een zucht zoals Beatrix dat doet als er iemand ergens tegen een naald rijdt. Van schrik haalde ik snel mijn plu weg en ze plofte neer. Ze zag aan de andere kant van het gangpad een meisje druk sms'en, waarop ze haar eigen telefoon ter hand nam: een allertreurigste Nokia uit het einde van de vorige eeuw. TIK TIK TIK deed het apparaat. Tussen het tikken door keek de Paulien bedroefd uit het raam en na ongeveer drie minuten was ze zover om het sms-je te versturen. Toen een jongetje even verderop een prullenbak openknalde, vertrok haar gezicht alsof de machinist eigenhandig een loeizware goederenwagon haar voorhoofd indreef. Op het moment dat ze haar telefoon in haar tas wilde stoppen, zag ik dat ze aan de binnenkant van de flap een button had geprikt. Dit stond erop:

'IK BEN NÍET PERFECT, MAAR IK BEN WÉL HEEL GELUKKIG'.

woensdag 11 augustus 2010

Zijn mensen per definitie dom?

Stel, je zit even in een dip en je wil je om wat voor reden dan ook even iets beter voelen. Ga dan vooral naar Telegraaf.nl. Wat daar aan achterlijke berichten voorbij komt is met geen pen te beschrijven. Maar de Telegraaf doet het tóch.

Zondag stond er een bericht op de site over het WK Sauna. Sinds 1999 houdt Finland een kampioenschap waarbij mensen het zolang mogelijk moeten uithouden bij een temperatuur van 110 graden. Een Russische finalist kwam daarbij te overlijden aan de gevolgen van ernstige verbrandingen. Tja, hoe dom kun je zijn om voor je lol veel te lang in zo'n hel te gaan zitten?

Dan die steward, die volledig uit zijn plaat ging nadat een passagier weigerde te blijven zitten na een landing. Hij schold de passagier vervolgens uit via de intercom en gilde na het uitstappen 'I quit this bitch!'. Ook nam hij nog een biertje mee voor onderwerg. Hem hangt nu zeven jaar cel boven het hoofd, maar zeg nou zelf: het is een beetje dom om de hysterische relnicht uit te hangen. Toch?

Het kan aan mij liggen, maar ik zie het nut van swaffelen niet echt in. Helemaal niet in het geval van de 48-jarige Rotterdammer die in zijn woonplaats een metrostel te lijf ging met zijn geslachtsdeel. Mocht zoiets al in mij opkomen, dan zou ik toch eerst even aan de omstanders vragen hoe het zit met de elektriciteit. Of is dat juist overdreven?

Tot slot de 25-jarige vrouw uit Toledo die door het lint ging omdat zij 's ochtends geen kipnuggets kon bestellen bij de plaatselijke McDonald's. Wat dom van McDonald's dat ze niet 24 uur per dag zo'n uit een plofkip gestanste voorraad kip verkopen. Het is nu eenmaal het lekkerste product van Maccy Dee! Helemaal met barbecuesaus. Overigens is het juist slim van de vrouw dat ze haar McDonald's te lijf ging via de McDrive en niet via de toonbank. Binnen stinkt het er immers altijd naar zure kots.

dinsdag 27 april 2010

'Young Lebanese drive through devastated neighborhood of South Beirut, 15 August 2006'



Geen idee waarom, maar ik moet de laatste tijd vaak aan bovenstaande foto denken. Een groep jonge Libanezen keert terug naar hun sjiitische wijk in Beiroet om de situatie in zich op te nemen na Israëlische bombardementen. Persfotograaf Spencer Platt won er de World Press Photo mee in 2006. Is het de schaamteloze decadentie? De over de top gestylede Paris Hilton-klonen? De totaal met de rest van het tafereel contrasterende cabrio? Zoals ik al zei: geen idee. Maar een prachtige foto is het. Nog steeds.

maandag 12 april 2010

Wachten bij de apotheek

Ping! De schuifdeur van apotheek Zeeburg is zo afgesteld dat ie bij elke voorbijganger openspringt. Ping! Zoeffffff. Ping! Achter de balie staan vier medewerkers opgesteld. Alle vier kijken ze glazig naar de bijsluiter van een recept. Dan loopt er eentje naar achteren, blijft daar tien minuten tegen een kast aanhangen en verdwijnt vervolgens volledig uit het zicht.

Er zijn zo'n vijftien klanten binnen. Patiënten. Allemaal houden ze nauwlettend in de gaten wie de eerstvolgende ná hun is, zodat ze precies weten wie voordringt. Af en toe galmt een ringtone door de verder zwijgende menigte. En natuurlijk Ping! Zoefffff. Ping!

Het nummertjestrekapparaat is al vijf jaar leeg. Al even lang staat het elektronische bord aan de muur op nummer 90. Het lijkt eerder een mededeling: er zijn nog 90 wachtenden voor u. Ping! Een mevrouw is aan de beurt. Ze schuifelt met haar looprek naar baliemedewerker nummer drie. 'Ik ben op zoek naar glijmiddel. Voor mijn vagina.' Nu is dat wel de laatste plek om naar glijmiddel te zoeken, bedenk ik. Mijn gesmoorde lach valt gelukkig samen met een Ping! Zoefffff. Nummer drie gaat nu zuchtend op zoek naar een plastic kruk, klimt erop en schuift wat tubes opzij. 'Op waterbasis?' Zo keutelen ze samen nog een tijdje door, waarna de vrouw afdruipt (moet ik alweer lachen).

Dan gaat opnieuw een telefoon. Frans Bauers Heb je even voor mij schalt door de apotheek. 'Hai met Cindy! Wat? In de apotheek! Moet ik voor jou ook nog wat meenemen? Nee ik kan nu niet naar buiten. Ik ben bijna aan de beurt en ik sta hier al 25 minuten. Doe die rooie onderbroek maar aan. O wacht ik ga je hangen, ik ben aan de beurt en er hangt een bordje bij de balie dat je daar niet mag bellen. Nou, doe-doei!' Triomfantelijk stapt Cindy naar baliemedewerker nummer drie. Wat één en twee aan het doen zijn is niet helemaal duidelijk, maar het lijkt nog het meest op pantomime. Samen voeren ze een toneelstuk op dat in het teken staat van wijzen naar de hoge kast. Ping! Klotedeur...

De temperatuur loopt inmiddels lekker op. De 90 wachtenden voor mij zetten het op een gezamenlijk zweten, net als de 90 wachtenden na mij. Dan, ineens, ping!, gaat het snel: maar liefst vier van de vier medewerkers roepen 'volgende alstublieft'. Er ontstaat een run op baliemedewerker nummer drie, aangezien zij al die tijd het minst traag op en neer heeft gesloft. Ik mag bij nummer vier. Ze kijkt me glazig aan, tikt mijn geboortedatum in de computer en Ping! Zoefff! daar ga ik al bijna door de deur naar buiten. Vier zegt echter: 'Oh...' en kijkt me nóg glaziger aan. 'Wat is er loos?', vraag ik dan maar. 'De bestelling is denk ik niet doorgekomen.' 'Kijkt u dan even bij de vorige bestelling, die is namelijk precies hetzelfde.' 'Nee meneer, ik heb echt een nieuw recept nodig.'

Het voelt als een afgang. 25 minuten ben ik een wachtende geweest om nu zonder resultaat Ping! naar buiten te zoeven. Niemand kijkt me meewarig na, behalve nummer vier. Maar dat komt omdat ze altijd zo kijkt.

vrijdag 19 maart 2010

En hier zijn we dus al anderhalf jaar mee bezig.

Geachte heer R.,

De voortgang richting onze aannemer voor het vervangen van het dakraam, stagneert opnieuw. Ondanks dreigementen met een rechtzaak, is hij niet van zins om actie te ondernemen. Nu zijn wij prima tevreden met het huidige glas, maar ik weet ook dat u dat niet bent. Voordat ik daadwerkelijk overga tot het dagvaarden van de aannemer, zou ik u willen vragen of we een second opinion kunnen aanvragen wat betreft de geschiktheid van het huidige glas. Ik denk dat de brandweer dat moet doen. Ik heb daar contact mee opgenomen, maar zij komen alleen kijken na een verzoek van de gemeentelijke afdeling Bouw- en Woningtoezicht - in casus: van u dus.

Mijn verzoek: bent u bereid de brandweer te verzoeken om polshoogte komen nemen om te controleren of het huidige glas misschien tóch geschikt is?

Met vriendelijke groeten,
etc.

donderdag 4 februari 2010

Irritant!

Collegablogger Hester doet een rondje irritaties. Daar sluit ik me graag bij aan. Wat is er allemaal irritant?

Websites met commercials die door de geluidsbarrière gaan.
Reclame op websites waarvan het kruisje om deze weg te klikken onvindbaar is.
Traag internet. Pagina's die niet goed laden omdat ze stikken van de advertentiescripts.
Vader Abraham. Denkt dat ie de reïncarnatie van Haydn is terwijl hij teksten over inlegkruisjes schrijft.
Moeders op een bakfiets. Bakfietsen zijn altijd irritant.
Van hetzelfde kaliber: die toeristenriksja's in de stad die het fietspad letterlijk blokkeren.
Het standaard commentaar onder berichten op Telegraaf.nl: 'En dat allemaal van onze belastingcenten'.
Het accent van Twan Huys in Novèèèh.
Het gesputter en gehakkel van journaalpresentator Gerard Arninkhof.
Goedemorgen Nederland. Sven Kockelmans die om de drie zinnen 'dames en heren' zegt of 'lawe zeggen', plus het dagelijkse lullige filmitempje dat steevast eindigt met 'Ja, goeje morrege!'.
RTL BouleFart. Alles, iedereen, altijd.
Dat programma's uitlopen zodat de dvr de laatste minuten (de CLOU dus) niet opneemt.
Mensen die bellen vanaf een onbekend nummer.
En die dan geen voicemail inspreken.
Boren. Boren boren boren boren boren de hele dag door. En op zondagochtend soms al vanaf acht uur.
Dat de koffie altijd op is op m'n werk, dat je nieuwe zet, na tien minuten opnieuw gaat kijken en dat de koffie dan alwéér op is.
Collega's die de hele dag snotteren, zich overal krabben en intieme telefoongesprekken voeren met hun 'lieffie'.
Mensen die harder gaan praten als je ze probeert te onderbreken.
En tot slot:mensen die zich overal aan ergeren.

donderdag 21 januari 2010

Een eerbetoon aan de Zangeres Zonder Naam



De Zangeres Zonder Naam. We kennen haar vooral als een zieke, oude vrouw met gekke wenkbrauwtjes in een malle pastelkleurige pofjurk, die voornamelijk zat te jammeren over haar dode man Sjoo. Maar lang daarvoor was het een tamelijk slimme, zelfs gewiekste zangeres. Ik moest aan Mary Servaes denken toen bekend werd dat Willeke van Ammelrooy haar gaat spelen in een film, gemaakt door Steven de Jong.
De ZZN scoorde hits met tranentrekkers als Keetje Tippel en Ach Vaderlief, toe drink niet meer, of op net ontdekte vakantiebestemmingen georiënteerde liedjes als Mandolinen in Nicosia. Maar tegelijkertijd zong ze ook teksten van Lucebert en draaide ze haar tong niet om voor een parabel van Goethe. Een van haar mooiste liedjes is Het Moederhart, met een tekst die zowel door merg en been gaat als op de lachspieren werkt.

Er was eens een jongen, zo goedig en trouw
Die veel van een meisje hield dat 'm niet wou

Ze zei: ga naar huis toe en breng me terstond
't Hart van je moeder en geef 't m'n hond

Hij ging naar z'n moeder en heeft haar vermoord
Toen nam hij haar hart en hij vlucht' 'r mee voort

Hij struikelt en plofte voorover in 't zand
En 't hart van z'n moeder, dat viel uit z'n hand

Terwijl daar dat hartje zo neven 'm lei
Toen hoorde hij dat 't 'm zachtjes iets zei

Al snikkend en jam'rend vroeg 't 'm wat
Heb jij je soms zeer gedaan, enige schat...

Dat is toch prachtig? Nog een voorbeeld is 'En ze lachte', een onvervalste murder ballad, eentje waar Nick Cave zelf een moord voor zou doen (als je geen zin hebt het hele verhaal te lezen: hij gaat dus dood. Hoe, dat staat in de spectaculaire ontknoping van het laatste couplet dat je NIET mag overslaan).

Hij was een schooier en zij was een slet
Maar zij was de sterkste van beiden
Ze spoorde en hitste tot misdaad hem aan
Zij, de knapste en mooiste der meiden
Ze dreef hem tot diefstal, ze dreef hem tot moord
Hij moest er op uit, alle nachten
En kwam hij dan bij haar, beladen met buit
Dan nam ze het aan, en ze lachte

Het mooiste en duurste was haar nog te min
Begon haar dan ook te vervelen
Ze vroeg nooit hoe hij aan die sieraden kwam
Wat kon haar zijn liefde ook schelen
Zijn zoenen en smeken, ze lieten haar koud
En als hij naar liefde soms smachtte
Haar smeekte, zeg toch dat je veel van mij houdt
Dan keek ze hem aan, en ze lachte

Ze dreef hem tot wanhoop en tot razernij
Hij moordde toen zonder genade
Ze wist waar hij was en toen men hem zocht
Toen heeft ze zijn schuilplaats verraden
Men wachtte hem op en hij liep in de val
Toen zij naar het gerechtshof hem brachten
Stond zij aan de deur, sjiek gekleed en gekapt
Hij ging haar voorbij, en ze lachte

Hij zat in de cel, dagen, weken lang
Totdat de dood hem zou bevrijden
Hij schreef haar een brief: ik wil nog eenmaal je zien
Hoe kun je me zo laten lijden
Al was je een duivel, toch hield ik van jou
Als je wist hoe ik nu naar je smachtte
Het was zijn laatste brief, ze las hem kalm door
Toen scheurde ze hem stuk, en ze lachte

Des 's morgens om vijf uur toen werd hij gehaald
Naar het schavot wat daar stond opgeslagen
Een rilling ging door de mensenrij heen
Toen men hem de trap op zag dragen
En bij de guillotine, vlakbij stond een vrouw
Die kalm zag hoe men hem slachtte
Een snerpende gil en toen viel het mes
Ze keek naar het lijk, en ze lachte

Beide nummers staan op een dubbelalbum met veertig liedjes waarin telkens minimaal één iemand doodgaat. Morgen ga ik het weer hebben over Animal Collective, La Roux of ander hippig spul, maar laat me éven zwelgen in dit ZZN-sentiment. Hier de site met meer dan honderd liedteksten en historisch beeldmateriaal.

dinsdag 12 januari 2010

iPod verrot


Het lijkt allemaal zo lekker te gaan met de spullen van Apple. Je steekt de stekker in het stopcontact en gegarandeerd dat je iMac het doet. Automatisch vist het apparaat internet uit de lucht, ordent het al je foto's in een handomdraai en ook je muziek floept zonder gedoe in de juiste iTunes-modus. Boxen aankoppelen, eventueel een iPhone inschakelen als afstandbediening en voilà: binnen vijf minuten heb je je eigen boombox. Helemaal leuk wordt het als je al je muziek altijd en overal bij je kunt dragen, al is voor mij de grootste iPod Classic op dit moment al te klein.

Bij het sync'en van iTunes naar iPod moet ik dus keuzes maken. De ene keer skip ik alle crap (one hit wonders, novelty troep of alle top 40-hits uit de jaren negentig), een andere keer laat ik alle seventies soul eenzaam achter in iTunes. Tot voor kort verliep dat proces altijd prima, maar zondag sloeg mijn iMac op tilt. Opeens bleek mijn iPod te zijn veranderd in 'uncompatible hardware' die bovendien 'corrupt' was en de 'onbekende errormelding 1406' beloofde ook weinig goeds. Het ding was dus ineens kapot.

Zuchtend en vloekend naar Marktplaats om te zien wat een 2ehands iPod Classic kost (veel, als je er eentje zoekt die het nog doet tenminste) en daarna gekeken op Amazon.com (alleen oudere modellen te koop voor duur). In gedachten zag ik me al staan in de Apple Store, tegenover zo'n joch met slierthaar en een afgezakte bilnaadbroek. 'Nee hoor, dit probleem is nog nooit eerder voorgekomen. En repareren is even duur als het aanschaffen van een nieuwe iPod. Loopt u even mee? Dan zoeken we samen een moeilijk modelletje uit.'

Toen ik verder vloekte en tierde, kreeg ik de tip het eens te proberen op het Apple Forum. Wat blijkt: zo'n beetje iedereen die de nieuwste versie van iTunes installeert, krijgt problemen. De upgrade zorgt ervoor dat iTunes 9.0 en de iPod Classic niet langer vriendjes willen zijn. Sterker nog: mijn vriendelijke iPod die bijna bol staat van de leuke liedjes is letterlijk uitgekotst door die verwaande, vernieuwde iTunes.

Op maar liefst 29 pagina's klagen Apple-gebruikers over de iTunes upgrade. Dankzij een tip op pagina 28 heb ik m'n iPod weer aan de praat gekregen. Maar niet nadat ik het ding helemaal heb moeten leeghalen en resetten. Vervolgens heb ik 9.0 keihard in de prullenbak geflikkerd en de oude, vertrouwde iTunes 8.2.1 opnieuw geïnstalleerd. Gelukkig kon ik mijn iTunes-bibliotheek foppen door een oude backup van 26 november als hoofdbestand te selecteren.

Nu doet alles het weer, al moet ik alle muziek gedownload na 26-11 opnieuw toevoegen en in de juiste playlists stoppen. Ik heb geluk gehad, want anderen hebben hun iPod volledig moeten hacken om er nog iets mee te kunnen. Ik verdenk Apple ervan dat ze expres compatibiliteitsproblemen inbouwen en vervolgens de iPod de schuld geven. Zodat ze nog meer van die glimmende apparaatjes kunnen verkopen. Ik was er bijna ingetrapt.

dinsdag 1 december 2009

12x controversiële aids awareness advertenties

1 december, Wereld Aidsdag. Oddee.com verzamelde twaalf aan dit thema gerelateerde advertenties.



Meer hier.