Posts tonen met het label Crisis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Crisis. Alle posts tonen

dinsdag 12 mei 2015

Kansloos netwerken bij het UWV

Ik ben alweer ruim een jaar druk aan het werk, maar vorig jaar heb ik drie maanden zonder gezeten. Achteraf een heerlijke periode, want het was van 1 mei tot 31 juli alleen maar mooi weer. Maar na mijn niet-verdiende ontslag moest ik een WW-uitkering aanvragen en kwam daardoor in een ambtelijke molen terecht. Althans, dat dacht ik van tevoren.

De regel is dat je vlak voor je laatste werkdag begint met je aanvraag. Ik bel dus met het UWV en kreeg een heel aardige jongen aan de lijn. Hij vertelde wat ik doen moest, en dat kon gelukkig allemaal online. Tien jaar geleden zat ik in een soortgelijke situatie (nu werd één FTE wegbezuinigd, toen een hele afdeling). Destijds moest ik me met een enorme stapel formulieren, waaronder alle loonstrookjes uit mijn hele werkzame leven, melden bij een kantoor waar een mannetje achter een loket zat. Dat mannetje vertelde me op welke vacatures ik het best kon solliciteren. En hoe ik een sollicitatiebrief het best kon beginnen. Echt, de betutteling. Het viel me mee dat ik geen uitbrander kreeg omdat ik me pas om vijf over negen had gemeld in plaats van negen uur stipt. Dat kon ook niet, want het hek voor het gebouw zat nog op slot.

Hoe anders was de situatie nu. Vol goede moed maakte ik een DigiD aan, meldde me aan bij iets dat Netwerkplein ofzo heette en stuurde een pdf-versie van mijn paspoort de ambtelijke molen in. Dat was allemaal op mijn eerste dag als steuntrekkende werkloze. In het telefoongesprek had de aardige jongen aangekondigd dat er voor hoger opgeleiden zoals ik speciale bijeenkomsten waren. Daar zouden ze allerlei handige tips geven die hielpen bij het vinden van een nieuwe baan. 'Moet ik me tot die tijd nog ergens melden?', vroeg ik. 'Nee hoor', zei de aardige jongen. De bijeenkomst was op 14 juni. 'Maar het kan in de tussentijd geen enkele kwaad om alvast een beetje om je heen te kijken, natuurlijk', lachte de jongen.

Het werd 14 juni. Om 15.00 uur stipt meldde ik me bij een groot, glanzend pand op Amsterdam Sloterdijk. Ik had een plukje mensen verwacht dat net als ik op een 'werkcoach' zat te wachten. In plaats daarvan kwam ik in een ruimte terecht waar zeker zestig mannen en vrouwen vertwijfeld om zich heen stonden te kijken. Wat bleek: dit was een 'netwerkmeeting'. Vandaag gingen we leren hoe we online netwerken als LinkedIn en (whoehoe) misschien zelfs Twítter konden inzetten om te netwerken. En wie weet hadden we ook nog wel iets aan elkaar.

Wat er toen gebeurde was werkelijk te bizar voor woorden. Echt, Toren C was zelfs niet weggekomen met de volgende scène. Twee dames - eentje eind twintig, de ander eind dertig - in bloemetjesjurken met een witte legging eronder vroegen ons in het midden van de ruimte te gaan staan. 'De muur aan de overkant is het noorden van Nederland, de muur aan ónze kant is het zuiden. Nu moet iedereen gaan staan waar hij geboren is.' Als een schooljuf klapte de oudste van de twee in haar handen. Ongemakkelijk begonnen de aanwezige steuntrekkers door elkaar heen te bewegen. Een van de aanwezigen klom in een hoek van de zaal op een vensterbank. 'Wat doe jij nou?', kirde de jongste schooljuf. Ietwat schaapachtig volgde het antwoord. 'Ik kom uit Curacao.' Dat was lachen geblazen. Overigens kwamen de meeste mensen gewoon uit Amsterdam en omstreken, dus halverwege de achtermuur stond een pluk mensen elkaar in de nek te hijgen. 'Nu moeten jullie gaan staan waar je hebt gestudeerd'. En hup, daar dook de rest ook op het kluitje Amsterdammers.

Gelukkig mochten we ons daarna weer door de zaal verspreiden. De dames gingen ons uitleggen waarom LinkedIn handig was. 'Wie van jullie heeft LinkedIn?' 59 van de zestig vingers gingen de lucht in. 'En wie van jullie heeft Twitter?' Een stuk of tien handen bleven over. 'Twitter is anders hartstikke handig hoor. Als je ons volgt op Twitter kun je hele interessante vacatures tegenkomen.' Vervolgens ontstond een discussie in de zaal over het zoeken van werk via internet. Of dat niet gewoon via vacaturesites kon. Maar toen bleek dat het bij de sollicitatieverplichtingen óók telde als je je LinkedIn-profiel bijwerkte, verstomde het gemor.

Na een kwartier gezwatel over sociale media pakten beide schooljuffen een mandje. De twintiger deelde oranje usb-sticks uit, de dertiger blauwe. De oudste riep vervolgens: 'Hou nu allemaal je usb-stick in de lucht. Zestig verbaasde armen zwaaiden omhoog. 'Willen degenen met een oranje usb-stick in een kring gaan staan?' Aarzelend kwam een kring tot stand. 'Willen degenen met een blauwe usb-stick een kring vormen om de oranje mensen heen?' zo gezegd, zo gedaan. 'Nu tel ik tot drie en draaien alle oranje mensen zich om. Je stelt je voor aan degene die tegenover je staat en dan ga je met die persoon netwerken!' Nog voor ik What The Fuck kon denken klonk het 'Een! Twee! Drie!'.

Een soort van jongen of een man draaide zijn vlassnor naar me toe. 'Hi! Ik ben Stacey.' Stacey bleek middenin een metamorfose van man naar vrouw te zitten, of andersom. Ik heb het niet durven vragen. Maar Stacey moest een periode overbruggen van een studie psychologie en een postdoctoraalachtig iets. Leuk voor Stacey, maar ik had nog steeds geen zicht op een baan. Toen blies de oudste schooljuf op een fluitje, dat ze tot dusver ongezien om haar nek had hangen. 'Nu schuiven we allemaal twee personen op naar links!' Nu stond ik over een ex-directeur van een dure bank, denk aan Lanschot of iets dergelijks. Ik viel maar meteen met de deur in huis. 'Vind jij deze bijeenkomst net zo idioot als ik?' Gelukkig kreeg ik bijval.

Na weer vijf minuten ging het fluitje opnieuw. 'Op de usb-stick staan alle formulieren die je nodig hebt bij het Netwerkplein. En nu is het tijd voor de borrel!'

Ik heb nog nooit zo snel een zaal zien leegstromen….

(Dit verhaal schreef ik in 2011)

dinsdag 30 oktober 2012

Vijftig Tinten Grijs-maand

Gisteren zag ik Heleen van Rooijen op tv. In steenkolen-Engels kraaide ze over haar nieuwe boek met als onderwerp een geile gigolo, dat geloof ik in de Verenigde Staten wordt uitgebracht. 'Wat E.L. James doet, dat deed ik al veel eerder', moet de stoutste schrijfster van Nederland gedacht hebben. In haar nieuwste boek maakt ze bekend dat ze voor 35 euro een mannelijke hoer had ingehuurd en wat ze allemaal met hem heeft uitgespookt. Zo'n twintig vrouwen sloegen Heleen besmuikt gade terwijl die in een gorgelende geheimtaal een passage uit haar boek voorlas.

Echt spannend wilde het niet worden, al is het voor Heleen te hopen dat ze een graantje kan meepikken van de vrouwenpornohype die heerst. E.L. James loopt lekker binnen met haar neurotisch opgeschreven martelfantasietjes. In de wereldwijde bestsellerlijsten beslaat ze de hele top drie met haar Vijftig Tinten Grijs en de vervolgdelen daarop. Dat wil ons ondeugende Heleentje ook wel.

Heleen is niet de enige die geld ruikt, of aandacht. De hele maand november is het 'Vijftig Tinten Grijs'-maand op Net 5. Ze proberen de zender uit het slop te trekken met een serie 'erotisch getinte' films die iedereen die zich daarvoor interesseert al honderd keer heeft gezien, zoals Eyes Wide Shut, 9,5 Weeks en Basic Instinct. Ze brengen de grijsgedraaide films aan de man als volgt: “Bind jezelf vast aan je stoel en blijf zitten voor heerlijke klassiekers." Ooh la la!

Ook zal een rijtje BN'ers komen opdraven voor een I Love-programma, waarin ze de onderwerpen over de tong laten gaan die aan bod komen in de E.L. James-boeken. Hopelijk zijn dat geen derderangs cabaretiers die met rode oortjes mogen komen vertellen hoe kinky ze eigenlijk hadden willen zijn, maar dat ze dat natuurlijk heus niet echt doen, hihihi. Of reality-sletjes uit Secret Story, de Big Brother-kloon die Net 5 in 2011 weer op de kaart had moeten zetten. Ongetwijfeld komt Heleen van Royen ook voorbij. Dat gigolo-boek verkoopt zich natuurlijk niet vanzelf.

donderdag 31 mei 2012

De kip, de vajayjay en het ei

Laatst kwam ik op Griekenland een kip tegen. Daar moest ik vanmorgen weer aan denken toen mijn collega het had over zijn kippen, die regelmatig van de leg zijn. Toen ik in Griekenland was, bedacht namelijk ik een geavanceerder systeem waar kippen slimmer bij af zijn tijdens het broeden. Heel simpel: waarom stopt de kip het ei niet terug in z'n eierhol - of hoe heet dat bij die beesten - en broedt zij het inwendig uit?

De kip hoeft hierdoor geen nest te bouwen, gaat gewoon lekker de hele dag haar gang en na een week of wat, zeg op het moment dat het ei op barsten staat, poept ze het weer uit. Ik legde dit idee voor aan mijn collega's, maar het landde nog niet direct. Collega 1 zei: 'Dat terugproppen vind ik zielig voor de vajayjay van de kip.' Collega 2: 'Wat als het ei breekt in de kip? Dat kan pijnlijke situaties opleveren als ze aambeien heeft.'

Nu weet ik niet hoeveel kippen er met aambeien rondlopen, niet zoveel lijkt me. Dus de schade zal in de praktijk waarschijnlijk meevallen. Nu de kip er nog van overtuigen dat ze haar leven veel efficiënter kan inrichten.

donderdag 12 april 2012

Bejaardenparfum

Alweer acht jaar geleden ben ik gestopt met roken. Als dank daarvoor kreeg ik mijn reukvermogen terug. Sindsdien ben ik gezegend met de eigenschap dat ik echt álles ruik. Denk ik. Heel goed ruiken is natuurlijk handig, maar het heeft ook zo z´n nadelen. Zo hoeft een collega maar even in de rook van een tramhalte hebben gestaan en ik ruik dat. En mensen die lyrisch raken bij de geur van versgebakken brood, die snap ik al helemaal niet. Ik mijd supermarkten als Albert Heijn als de pest als ik weet dat er zo´n afbakker z´n werk staat de doen. Werkelijk de hele winkel meurt naar die weeige broodlucht. Ook ga ik bijna over mijn nek als ik ´s ochtends de broodtrommel opendoe.

Maar versgebakken brood is niets vergeleken bij mensenluchtjes. Mensen die uit hun straatje stinken à la. Daar gooi je gewoon een pepermuntje in en ze zijn prima te hachelen. Veel viezer is het om de hele dag in iemands schoenenlucht te moeten zitten. Of in de stank van oud, bejaard zweet. Gisteravond was het weer eens zover. We gingen naar '1001 Nacht', een voorstelling van het Zuidelijk Toneel met Marc-Marie Huijbrechts en de Ashton Brothers (Wat ik ervan vond? Plat, ordinair en bij vlagen een aardige act. Een paar Ashton Brothers bijvoorbeeld, die in gorillakostuums seks met een negerslaaf uitbeeldden. Lees hier de recensies, die uit de Volkskrant komt nog het dichtst in de buurt van hoe ik het heb ervaren.)

Afijn. Ik rook het al toen ik ging zitten. Heel even dacht ik dat het zomerjasje dat ik na maanden uit de kast had gerukt geen ritje langs de stomerij had gemaakt. Maar aangezien ik al mijn jasjes de hele tijd laat stomen was dit geen optie. Ik rook rechts aan mijn frisgewassen vriend en fluisterde in zijn oor: 'het riekt hier.' Hij rook rechts aan de vrouw naast hem en vermoedde in haar de boosdoener. Gelukkig, dacht ik nog. Dan kon hij dus als buffer fungeren. Maar wacht, nu rook ik ook de geur van kleding die al weken niet is gewassen. Links van mij zat een wat muizig mens in een groezelig grijs t-shirt met haar programmaboekje te wapperen. Mijn kant op. Tegelijkertijd geeuwde ze, ook mijn kant op. Een onbeschrijflijke putlucht drong mijn neusvleugels binnen: zuur, rot, zwavel. Zweet. Ze stonk uit haar mond naar zwéét!

Het eerste kwartier van de voorstelling heb ik geprobeerd het te negeren. Toen bleek dat die zweetlucht niet uit de dame haar mond kwam, maar uit haar oksel. Dat merkte ik toen ze enthousiast begon te klappen en de stank aanzwol tot orkaankracht. Terwijl ik met m'n tanden op elkaar zat te vloeken vervuilde zij mijn aura met haar verstikkende odeur. Uiteindelijk heb ik een uur en twintig minuten mijn adem ingehouden en toen was het pauze.

Wie ervaring heeft met toiletemmers op campings, weet dat je die na het vullen niet te lang in de hitte moet laten staan. Dan komt er een dik vel op de urine en de boel gaat broeien, schiften en uiteindelijk gisten. Trek je daarna het deksel eraf (dat is dan al een klein beetje vacuum gezogen dus dit gaat met een klein sisje), dan slaat de allesbedervende stank gelijk op je keel en op je ogen. Alleen als je over een ijzersterke kokhalsreflex beschikt valt de boel te redden, maar de paniek die je bekruipt... Tranen met tuiten!

Het was dus pauze. Na alle stankvarianten gehad te hebben kwam er nog eentje bij toen de vrouw ging staan. Die van de hierboven beschreven toiletemmer. En inderdaad: kokken met tranen in m'n ogen.

dinsdag 17 januari 2012

Zweedse meisjes, het vervolg: Sita het Hongaarse meisje

Lees eerst het vorige verhaal over de Zweedse meisjes. Dit is dus het vervolg.

Aangezien het mentorvader- en -moederschap ons goed was bevallen, bedachten Nina Rosa en ik ons geen moment toen zich in het nieuwe studiejaar wederom een mentormeisje aandiende. Deze keer had het lot bepaald dat we een Hongaarse studente ter opvang kregen, Sita genaamd.

Sita was een donkerharige schone met ravissant zwart haar. Als ze lachte tenminste. De eerste vijf minuten deed ze dat nog volop, al was ze na een week nog steeds vermoeid van de uitputtende reis die haar van een Hongaars bergdorpje naar Utrecht had geleid. We maakten kennis met een kopje thee en om het ijs te breken stelden we haar nieuwsgierig de ene vraag na de andere. Sita vroeg niets terug. Na een minuut of tien was ze het eenzijdige verhoor zat en ze zei: 'Dat hoeven jullie allemaal niet te weten.'

Een paar dagen later informeerden we voorzichtig bij het Buitenlandsestudentenhuis op het Janskerkhof hoe het Sita beviel, hier in Nederland. Ze had al die dagen binnen gezeten, ook al hadden we haar gewezen waar het postkantoor was. We waren op dat moment nog vast voornemens haar de Afsluitdijk te laten zien en een oer-Hollandse maaltijd voor haar te koken. Toen nog wel.

Gedurende een periode van drie maanden hebben we om de zoveel dagen geprobeerd contact te leggen met Sita. Vaak schold ze mopperend in de telefoon wat voor koud kutland Nederland was. En dat iedereen vervelend tegen haar deed. En waarom hier geen goulashsoep in ruime hoeveelheden voorhanden was. Waarom ik stiekem naar haar vriendje had gegluurd toen hij een paar dagen over was uit Hongarije (wat overigens niet zo was, de jongen had de uitstraling van een hork met z'n platvissengezicht). Waarom iedereen hier Nederlands sprak. Waarom haar huisgenoten zo vervelend waren. En zo ging het vaak nog even door.

Het lachen was Sita totaal vergaan. Het schone was er dus wel vanaf. En dat ravissant zwarte haar hing inmiddels in vette slierten om haar hoofd. Zo verwaterde het contact, dat op het eind tot een onverwachte climax kwam. Sita had namelijk besloten ons te trakteren op een afscheidsetentje! Dat ze wegging moest inderdaad groots gevierd worden.

We belden aan. Een buitenlandse student (een hele leuke, aardige, Jessica en Jenny-achtige) deed open en stuurde ons door naar Sita's kamer. Daar lag ze, languit op de grond met het gezicht naar de vloer. Bezorgd vroegen we of het wel goed met haar ging. Sita deelde haar kamer met een Amerikaanse Kimberley. Zo'n doorsnee Natalee Holloway-kloon die haar helft van de kamer had behangen met roze schilderijlijstjes vol vriendinnenfoto's. 'Zo lig ik hier altijd', zei Sita. 'Dan hoef ik die stomme blije foto's van Kimberley of hoe ze ook heet niet te zien.'

Zwaar geïrriteerd ging Sita ons voor naar de keuken. Ze viste een vieze pan uit de gootsteen en hield deze voor de vorm onder een lauwe waterstraal. Daarna mikte ze de pan voor de helft vol met macaroni, gooide er wat blokken kaas en bevroren spinazie door en zette hem op het vuur. Na een kwartier was het 'eten' 'klaar'. Na een half uur stonden we weer buiten, nadat we Sita omstandig hadden bedankt voor de feestelijke maaltijd. Voor de vorm telefoonnummers uitwisselen konden we niet meer opbrengen.

En zo eindigde het o-zo vrolijke mentorverhaal in een debâcle. Aan een nieuwe lichting studenten zijn we dan ook nooit begonnen.

woensdag 2 november 2011

Beschaving anno 2011

Restaurant Zushi, woensdagavond, een uur of half acht. We zitten aan de ronde bar, met voor ons een lopende band waarop schoteltjes met allerhande sushi voorbij slakkegangen. De barkrukken staan vrij dicht naast elkaar, waardoor lichamelijk contact met een onbekende buurman of -vrouw onvermijdelijk is. Gelukkig zijn de meeste mensen zo beleefd zich te verontschuldigen als ze op de een of andere manier even wat meer ruimte nodig hebben.

Zo niet de 'dame' links naast mij. We noemen haar voor het gemak maar even Mevrouw de Cultuurrelativist. Ze had me al vernietigend aangekeken voordat ik plaatsneem op de lege kruk naast haar. Haar stapel lege schoteltjes staat pontificaal voor mijn neus. Een serveerster zet deze subtiel een eindje naar links, maar met een ferm handgebaar schuitft de Cultuurrelativist ze weer terug in de oude positie.

Luid tetterend zet ze haar gesprek voort. 'Wat een heeeeeerlijk eten hebben ze hier. Ik ga zo DIE daar nemen!' Om haar woorden kracht bij te zetten duwt ze haar arm bijkans in mijn gezicht en priemt met haar vinger naar een schoteltje met gyoza's. 'Echt, moet je zien hoeveel bordjes ik al op heb', giert ze naar haar gezelschap, rammelend met het de stapel schoteltjes voor mijn neus.

Ik kijk naar links. Voor de Cultuurrelativist ligt een telefoon met daarop een sticker. 'De Mars der Beschaving' staat erop. Even word ik afgeleid door twee latina's die de trap bij de ingang opkomen en plaatsnemen aan de bar tegenover ons. Mevrouw naast mij roept iets te luid: 'Zou dat nepbont zijn? Dat is toch geen echt bont hè? En als het nepbont is, dan nóg! Dat trek je toch niet aan? Het idee alleen al dat je de suggestie wekt dat je in doodgeknuppelde dieren rondloopt!'

De meisjes doen alsof ze niks horen. De Cultuurvrouw richt haar pijlen daarom maar weer op haar soortgenootjes. 'Moet je ons toch eens zien zitten! Terwijl heel Europa in puin ligt zitten wij hier lekker sushi te eten. In Griekenland kan dat straks niet meer hoor! En in Nederland misschien ook niet. Geniet er nou maar lekker van. Hier, ik heb steeds de duurste schoteltjes genomen. Hahaha, wat nou, crisis!'

De Cultuurrelativist staat op. 'Jij betaalt, toch?', roept ze naar de man naast haar. 'Ik moet weg.' Bij het opstaan had ze me al ruw in m'n zij gepord met haar elleboog. Nu slaat ze haar jas tegen me aan, waarbij mijn schoteltjes bijna van de bar lazeren. Daarop trekt ze zonder iets te zeggen haar tas onder de bar vandaan. Mijn kruk wankelt, maar ik blijf overeind. Na een luidkeels 'DOE-DOEI' verdwijnt mevrouw de Cultuurrelativist uit beeld.

Beschaving? Laat me niet lachen...

woensdag 10 augustus 2011

Kansloos netwerken bij het UWV

Ik ben alweer ruim een jaar druk aan het werk, maar vorig jaar heb ik drie maanden zonder gezeten. Achteraf een heerlijke periode, want het was van 1 mei tot 31 juli alleen maar mooi weer. Maar na mijn niet-verdiende ontslag moest ik een WW-uitkering aanvragen en kwam daardoor in een ambtelijke molen terecht. Althans, dat dacht ik van tevoren.

De regel is dat je vlak voor je laatste werkdag begint met je aanvraag. Ik belde dus met het UWV en kreeg een heel aardige jongen aan de lijn. Hij vertelde wat ik doen moest, en dat kon gelukkig allemaal online. Tien jaar geleden zat ik in een soortgelijke situatie (nu werd één FTE wegbezuinigd, toen een hele afdeling). Destijds moest ik me met een enorme stapel formulieren, waaronder alle loonstrookjes uit mijn hele werkzame leven, melden bij een kantoor waar een mannetje achter een loket zat. Dat mannetje vertelde me op welke vacatures ik het best kon solliciteren. En hoe ik een sollicitatiebrief het best kon beginnen. Echt, de betutteling. Het viel me mee dat ik geen uitbrander kreeg omdat ik me pas om vijf over negen had gemeld in plaats van negen uur stipt. Dat kon ook niet, want het hek voor het gebouw zat nog op slot.

Hoe anders was de situatie nu. Vol goede moed maakte ik een DigiD aan, meldde me aan bij iets dat Netwerkplein ofzo heette en stuurde een pdf-versie van mijn paspoort de ambtelijke molen in. Dat was allemaal op mijn eerste dag als steuntrekkende werkloze. In het telefoongesprek had de aardige jongen aangekondigd dat er voor hoger opgeleiden zoals ik speciale bijeenkomsten waren. Daar zouden ze allerlei handige tips geven die hielpen bij het vinden van een nieuwe baan. 'Moet ik me tot die tijd nog ergens melden?', vroeg ik. 'Nee hoor', zei de aardige jongen. De bijeenkomst was op 14 juni. 'Maar het kan in de tussentijd geen enkele kwaad om alvast een beetje om je heen te kijken, natuurlijk', lachte hij.

Het werd 14 juni. Om 15.00 uur stipt meldde ik me bij een groot, glanzend pand op Amsterdam Sloterdijk. Ik had een plukje mensen verwacht dat net als ik op een 'werkcoach' zat te wachten. In plaats daarvan kwam ik in een ruimte terecht waar zeker zestig mannen en vrouwen vertwijfeld om zich heen stonden te kijken. Wat bleek: dit was een 'netwerkmeeting'. Vandaag gingen we leren hoe we online netwerken als LinkedIn en (whoehoe) misschien zelfs Twítter konden inzetten om te netwerken. En wie weet hadden we ook nog wel iets aan elkáár.

Wat er toen gebeurde was werkelijk te bizar voor woorden. Echt, zelfs Toren C was niet weggekomen met de volgende scène. Twee dames - eentje eind twintig, de ander eind dertig - in bloemetjesjurken met een witte legging eronder vroegen ons in het midden van de ruimte te gaan staan. 'De muur aan de overkant is het noorden van Nederland, de muur aan ónze kant is het zuiden. Nu moet iedereen gaan staan waar hij geboren is.' Als een schooljuf klapte de oudste van de twee in haar handen. Ongemakkelijk begonnen de aanwezige steuntrekkers door elkaar heen te bewegen. Een van de aanwezigen klom in een hoek van de zaal op een vensterbank. 'Wat doe jij nou?', kirde de jongste schooljuf. Ietwat schaapachtig volgde het antwoord. 'Ik kom uit Curacao.' Dat was lachen geblazen. Overigens kwamen de meeste mensen gewoon uit Amsterdam en omstreken, dus halverwege de achtermuur stond een pluk mensen elkaar in de nek te hijgen. 'Nu moeten jullie gaan staan waar je hebt gestudeerd'. En hup, daar dook de rest ook op het kluitje Amsterdammers.

Gelukkig mochten we ons daarna weer door de zaal verspreiden. De dames gingen ons uitleggen waarom LinkedIn handig was. 'Wie van jullie heeft LinkedIn?' 59 van de zestig vingers gingen de lucht in. 'En wie van jullie heeft Twitter?' Een stuk of tien handen bleven over. 'Twitter is anders hartstikke handig hoor. Als je ons volgt op Twitter kun je hele interessante vacatures tegenkomen.' Vervolgens ontstond een discussie in de zaal over het zoeken van werk via internet. Of dat niet gewoon via vacaturesites kon. Maar toen bleek dat het bij de sollicitatieverplichtingen óók telde als je je LinkedIn-profiel bijwerkte, verstomde het gemor.

Na een kwartier gezwatel over sociale media pakten beide schooljuffen een mandje. De twintiger deelde oranje usb-sticks uit, de dertiger blauwe. De oudste riep vervolgens: 'Hou nu allemaal je usb-stick in de lucht. Zestig verbaasde armen zwaaiden omhoog. 'Willen degenen met een oranje usb-stick in een kring gaan staan?' Aarzelend kwam een kring tot stand. 'Willen degenen met een blauwe usb-stick een kring vormen om de oranje mensen heen?' Zo gezegd, zo gedaan. 'Nu tel ik tot drie en draaien alle oranje mensen zich om. Je stelt je voor aan degene die tegenover je staat en dan ga je met die persoon netwerken!'

Nog voor ik 'What The Fuck' kon denken, klonk het 'Een! Twee! Drie!'.

Een soort van jongen of een man draaide zijn vlassnor naar me toe. 'Hi! Ik ben Stacey.' Stacey bleek middenin een metamorfose van man naar vrouw te zitten, of andersom. Ik heb het niet durven vragen. Stees moest een periode overbruggen van een studie psychologie en een postdoctoraalachtig iets. Leuk voor Stacey, maar ik had nog steeds geen zicht op een baan. Toen blies de oudste schooljuf op een fluitje, dat ze tot dusver ongezien om haar nek had hangen. 'We schuiven allemaal twee personen op naar links!' Nu stond ik tegenover een ex-directeur van een dure bank, denk aan Lanschot of iets dergelijks. Ik viel maar meteen met de deur in huis. 'Vind jij deze bijeenkomst net zo idioot als ik?' Gelukkig kreeg ik bijval.

Na weer vijf minuten ging het fluitje opnieuw. 'Op de usb-stick staan alle formulieren die je nodig hebt bij het Netwerkplein. En nu is het tijd voor de borrel!'

Ik heb nog nooit zo snel een zaal zien leegstromen. En van die ambtelijke molen heb ik weinig gemerkt. Tot het moment dat ik meldde dat ik weer werk had, was het enige contact met mijn 'werkcoach' een autoreply: 'Van 3 tot en met 24 juli ben ik op vakantie.'

maandag 11 april 2011

Een prettig gesprek in lijn 2, vandaag

Tramhalte Hoofddorpplein, 18.30 uur. De tramchauffeur wacht tot een oud besje de oversteek heeft gemaakt vanaf het trottoir. Het besje draagt een turquoise zomerjurk met een lichtbeige bontjas erover. Het haar keurig in Oud-Zuidstijl gekapt. Ze hijst zich naar binnen en start de volgende monoloog.

'Chauffeur, ik hoef maar één halte. Ik ben dat hele eind komen lopen. Vanaf de Amstelveenseweg. Vijf winkels moest ik in voor cadeaus voor mijn achterkleinkind. Is een heel leuk kind hoor, daar niet van. Maar ik zit van mijn nek tot aan mijn tenen onder de artrose. Neeeee, daar zie je niks van nee. Maar ik voel het wel. En een pijn dat het doet! Toe, breng me even één halte verder. U kunt het zo'n oud mens als ik toch niet aandoen om dat hele stuk terug te moeten lopen? Man, ik had al lang in bed moeten liggen!'

Zonder te betalen gaat ze zitten op de voorste stoel, die een man haar in allerijl beschikbaar heeft gesteld. Ze gaat verder:
'En morgen ben ik jarig hè. Maar mooi dat er niemand komt! Helemaal niemand die op mijn verjaardag komt. Ik ben helemaal alleen, maar dat vind ik allang niet meer erg hoor. Ik zal mezelf eens lekker gaan verwennen. Hoe oud denkt u dat ik morgen word, chauffeur? Wat zegt u? Zeventig? U wilt wel heel erg graag aardig gevonden worden, niet? Zeventig! Zeventig! Probeert u mij soms te versieren meneer? Zeventig. Nu vraag ik je. Tel er maar gerust zeventien jaartjes bij op. Nee, dat zou u niet zeggen, hè. 87 jaar alweer.'

Dan heft ze luidkeels het bekende lied van Ramses Shaffy aan.
'We zullen doorgaan
Met het zweet op ons gezicht
Om alleen door te gaan
In een loopgraaf zonder licht!'

'Want echt veel meer dan doorgaan kun je niet hè? Ja, hopen dat het beter wordt. Maar dat wordt het nooit meer, met alle oorlog en ellende op de wereld. Ik zeg u, chauffeur, we leven in het einde der tijden. Het einde is nabij, dat verzeker ik u. Kijk maar in het Nieuwe Testament. Daar staat het allemaal in. God wil dat wij vrede met elkaar sluiten en wat doen we? We schieten elkaar dood en steken elkaar neer. Zo heeft god het niet bedoeld. Echt, gelooft u mij, hij laat dit allemaal niet zomaar over zijn kant gaan.'

De halte nadert. De vrouw staat op.
'Ach chauffeur, doet u mij een plezier en help me even uit de tram. Ik geef mijn boodschappen even aan u mevrouw, zet u die naast de tram? Meneer, u bent een fijne chauffeur. God heeft het beste met u voor. Als u niets verkeerd doet is een plekje in de hemel gegarandeerd hoor. Ik weet het zeker. Zo'n lieve man! Nou, vriendelijk gegroet en een fijne dag verder!'

zaterdag 12 februari 2011

Smetteloze Ton en smerige Bas

Voor ik mijn huidige vriend leerde kennen, had ik een serie kortstondige affaires. Stuk voor stuk hele leuke kerels natuurlijk. Maar sommigen hadden iets vreemds. Een tic, of gewoon iets heel bizars. Kort na elkaar leerde ik twee types kennen die in alles elkaars tegenpool waren.

We beginnen met Ton. Dat is niet zijn echte naam, maar wel bijna. Ton was docent op een basisschool en zo zag hij er ook uit. Zijn dagelijkse kledij bestond uit keurige schoenen en een frisgewassen trui. Zijn al even frisgewassen hoofd had dat guitige waar verder alleen Jochem van Gelder mee wegkomt. Z'n knalblauwe kijkers stonden al even fris in dat vrolijke hoofd.

Ton woonde in een soort tandartsenpraktijk. Alles was er van roestvrij staal, behalve de strakleren bank en de lichtgroene linoleum vloer die door z'n hele huis lag. Dat laatste was beslist niet fijn als je met je blote voeten uit bed stapte, maar dat gebeurde dan ook nooit. Ton vond het namelijk vies dat er overal zweetvoetafdrukken op het linoleum zouden komen, dus aan mij het verzoek een paar gastpantoffels aan te schaffen. Nieuw natuurlijk, want je zou maar met pantoffels aan komen zetten die met andere, gevaarlijke, met kattenharen bedekte of anderszins vervuilde vloeren in aanraking waren gekomen.

Ton had een hele lijst regels: schoenen uit op de gang. Gingen we eten afhalen, dan mochten de plastic bakjes onder geen beding direct op het aanrecht worden gezet: eerst een placemat pakken, die afwassen, dan de onderkant van de bakjes afwassen en op de placemat placeren. Gebruikte je de kraan, dan gelieve deze daarna af te drogen met een wegwerpdoekje. Ton kon trots vertellen dat hij de hele zondag bezig was geweest met het afnemen van de lamellen, met spiritus en alcohol. Het hele huis rook naar een combinatie van chloor, ontsmettingsmiddel en andere schoonmaakmiddelen. Gelukkig kon er maar weinig vies worden, want Ton had geen spullen die in de weg stonden, laat staan van die vieze, zuurstof producerende planten. Alles was strak, kaal en smetteloos.

Tot er op een dag een grote dikke kat in het trapportaal zat. Ik was uit geweest en bleef voor het gemak bij Ton slapen. Die lag al in bed, dus ik maakte hem wakker met de vrolijke mededeling: 'Moet je kijken wie ik bij me heb?' Op mijn arm de woest tegenspartelende kat, die kans zag te ontsnappen en de woonkamer inrende. Ton schoot als door een adder gebeten uit bed, rende – op blote voeten, een saillant detail – de kat achterna en joeg hem luid joelend het huis uit. Ik stond er een beetje schaapachtig bij te kijken hoe hij z'n hele woonkamer volzette met emmers sop, dweilgerei en andere schoonmaakspullen. De eerste keer heb ik meegeholpen, maar Ton heeft een week lang zijn hele huis twee keer per dag grondig moeten reinigen voordat hij zich weer een beetje op z'n gemak voelde.

Exit Ton, enter Bas. Over Bas moet ik eerst vertellen dat ik hem al een keer had gesproken, in het Utrechtse openbaar vervoer. Ik was op weg naar een studiegenoot, in mijn handen zo'n gratis doorzichtig Albert Heijn-tasje met daarin twee kipfileetjes. Dit lijkt onbelangrijk, maar komt terug aan het eind van dit verhaal, goed onthouden dus. Ik hing in het gangpad en Bas zat op de bank naast me. Hij observeerde me van top tot teen, dus ik besloot hetzelfde bij hem te doen. Bas was een Pirate of the Carribean avant-la-lettre: hij had woest, lang, asblond haar, een slordige stoppelbaard en een laconieke oogopslag zoals je die ook wel tegenkomt bij zwervers die je een straatkrant proberen te verkopen. Hij droeg gevaarlijke cowboylaarzen, een versleten spijkerjack en dito spijkerbroek, zij het in een andere grauwzwarte kleur.

Al met al maakte hij in al z'n slonzigheid zo'n diep mysterieuze indruk, dat ik besloot naast hem te gaan zitten. We raakten in gesprek over de kipfilets, ik vertelde waar ik studeerde, Bas dat hij iets wazigs deed in de ICT. Daarna zwaaide hij me uit omdat ik er uit moest. Breed lachend keek hij me na, waarbij hij ook nog een hoektand bleek te missen.

We maken een tijdsprong van ongeveer een half jaar. Tijdens een avond stappen stond Piraat Bas plotseling voor m'n neus, z'n haar nog langer en woester dan de vorige keer, maar nu wel keurig geschoren. Hij droeg min of meer dezelfde kleding en bij nadere inspectie bleek de ontbrekende hoektand een kies te zijn geweest.

Een paar dagen later spraken we af, op mijn verzoek bij hem thuis. Dat vergde enig aandringen. Bij aankomst bleek precies waarom. Bas woonde in het meest verwaarloosde interieur dat ik ooit heb gezien, geheel in stijl ook nog eens in een van de gruiziger stadsdelen van Utrecht.

Gek genoeg – maar god zij dank – was Bas erg schoon op zichzelf. De waslijn vol zwartgrijze kleren benam in eerste instantie het zicht op de rest van het huis, maar dit is ongeveer wat ik aantrof. Eerst de keuken. Op het aanrecht pannen vol aangekoekte etensresten, borden met beschimmelde macaroni, rijstkorrels in alle hoeken, gaten en plinten, werkelijk overal waar je keek. Over de kraan hing een grauw uitgeslagen theedoek. Overal halfvolle glazen met een schuimkraag erop of juist een vel.

De woonkamer stond ook vol met glazen en borden. Zelfs onder het kussen van een van de gestoffeerde – en plakkerige, nee kléverige – fauteuils vond ik een bord, deze keer met bedorven spaghetti. Het vloerkleed – vol vlekken natuurlijk – lag bezaaid met proppen papier, gebruikte zakdoeken, lege flessen en repen afgescheurd behang. De muren waren beplakt met afbladderende posters. De ramen ook trouwens, bij gebrek aan gordijnen.

Tot slot de slaapkamer. Het bed lag erbij als een oase van kraakheldere ordentelijkheid tussen hopen hoog opgetaste kleding. Onder het bed uiteraard weer de inmiddels herkenbare borden met schimmelpasta, glazen met schuim of een vel, papieren servetten, verhuisdozen vol niet direct herkenbare spullen, lampekappen, allerhande tuingereedschap, enzovoort enzovoort enzovoort.

Aangezien het bed de schoonste plek in huis was, werd dit het centrum van ons gezamenlijke bestaan. Als het eten werd bezorgd – koken was onmogelijk – aten we de pizza's zittend op het bed. Muziek luisteren? De stereo in de aanpalende woonkamer hard en wij op een berg kussens, in bed. De sporadische opdrachten van mijn opleiding tikte ik in bed, nou ja, het beeld is duidelijk.

Ik vond het eigenlijk wel leuk, deze vorm van kamperen. Tot Bas met de mededeling kwam dat hij 'misschien weer' een vieze besmettelijke huidziekte had opgelopen, 'vlak voordat ik jou leerde kennen'. Op advies van de huisarts moest hij zich insmeren met een witte zalf, en ik uit voorzorg ook. We besloten een week binnen te blijven. Het mag duidelijk zijn: voor mij was de maat vol. Er moest acuut iets gebeuren: de hele vieze teringzooi ging eruit.

De week van het grote ontsmetten brak aan. De fauteuils en alle andere meubels die bij aanraking uit elkaar donderden hebben we rigoureus uit het raam gesmeten. Bas kocht een stofzuiger en bikte met een schroevendraaier de overgebleven rijstkorrels tussen de plinten vandaan. Alle aangekoekte vaat ging in een vuilniszak, de keuken kreeg een totale make-over, we zetten zakken en dozen vol zooi bij de straat. Na een week zwoegen lag er alleen nog een berg papier in een hoek van de slaapkamer 'waar dingen op staan die ik misschien moet onthouden'.

En zo was het dat ik een handgeschreven briefje tegenkwam met daarop de tekst: 'Hallo, jongen met de kipfilets. Laatst zag ik je in de bus. We hebben veel te kort met elkaar gepraat en ik zou je graag nog eens zien. Bel je me? 030-XXXXXXX, Bas.' Had ie willen ophangen in het gebouw waar ik mijn lessen volgde. De vertedering die dat opleverde was slechts van korte duur. Bas verviel in z'n oude gewoontes en toen het huis weer dreigde te verloederen was het hoog tijd om te gaan.

Ik heb de twee verhalen in de verkeerde volgorde verteld, want niet lang daarna ontmoette ik Ton. Maar nu ik er achteraf op terugkijk vond ik de bende bij smerige Bas minder ellendig dan de tandartsenpraktijk van smetteloze Ton...

vrijdag 8 oktober 2010

Het verhaal van Kriebeltje

Eens, lang geleden, carpoolde ik met twee collega's van Amsterdam naar Vianen en weer terug. We werkten destijds bij het immer hectische World Online en een rit van en naar het kantoor duurde regelmatig drie kwartier tot een uur. Chauffeur Bart trakteerde ons in het begin op smooth jazz of allerlei freaky shit van Frank Zappa uit de seventies, maar dat ging al snel vervelen. Vanaf dat moment was de opdracht: hoe gekker, slomer of crappier de muziek, hoe beter.

Een periode van totale filegekte brak aan. Op de heenreis blèèèrden we mee met Baccara, de terugweg ging van start met Luv'. Al snel kenden we het repertoire van alle wanstalige damesgroepjes uit ons hoofd en schalde het over de Nederlandse snelwegen: 'You're very welcome in Waldooooooooooolalaaaaaaa', Ooohooo Ahaaaa you're such a casanooooooovaaaaa'. Of we kreunden mee met Baccara's Yes sir, I can boogie ('boogie woogie, all night loooooong'). Even tussendoor: het leukste Baccara-lied is The Devil Sent You to Lorado, vanwege de schrikeffecten van de zangeressen. Na deze zin slaken de dames een bang gilletje: 'Because he knew that you were there (Huuuh!) (Waaah!). Kijk zelf:



Het gaat in dit verhaal niet over Baccara, maar om Kriebeltje. Hoofdredacteur Henk verkondigde op een sombere dag dat zijn neef geen leven had als gay in het homovijandige Israël. Om aan zijn hel te ontsnappen kon de neef bij zijn oom aan de slag. Er werd een mooie functie voor hem verzonnen en ze leefden nog lang en gelukkig. Maar toch niet helemaal...

Even terug naar onze autoavonturen. Chauffeur Bart zat in zijn vrije tijd in een band en vervoerde alle muziekinstrumenten in de kofferbak van zijn enorme Volvo. Het duurde dan ook niet lang voordat we met z'n drieën helemaal losgingen: sambaballen, tamboerijn, het woodblock en de triangel zorgden ervoor dat onze muzikale vreugde tot het kookpunt steeg. En toen kwam het verzoek van Henk. Of zijn neef mocht meerijden.

Het mocht.

De eerste drie dagen hielden we het bij een enkele triangel-tingel of een stiekem klopje op het woodblock. Ook de muziek werd aangepast aan onze nieuwe gast: enkel en alleen nog Nederlandse meuk, zodat hij snel aan onze cultuur zou wennen. Denk hierbij aan de Dolly Dots, Frizzle Sizzle, Linda, Roos & Jessica en Bonnie St. Claire. Het duurde maar even voordat de neef zijn eerste tamboerijn vasthield en al snel was hij de gangmaker van het gezelschap. Sterker nog: hij hield niet meer op met herrie maken.

Na een tijdje begonnen verschillende dingen op te vallen. Z'n haar - nou ja haar, een kale kop met een comb-over - zat altijd slordig. Hij droeg iedere dag hetzelfde, ietwat smoezelige pak. Ook had hij elke dag hetzelfde plastic AH-tasje bij zich met daarin zijn werkspullen. Langzamerhand begon het een beetje mossig te ruiken als de neef bij ons in de auto stapte. We werden er eigenlijk een beetje kriebelig van - et voilà: zijn bijnaam was geboren.

Vanaf toen veranderde er iets. Zodra Kriebeltje op de sambaballen dook probeerden we hem af te remmen. Kriebeltje niet teveel laten bewegen, luidde het nieuwe devies. Maar hij was niet te stoppen: vanaf de achterbank smeekte Kriebeltje kirrend om Baccara als chauffeur Bart een kalmerende jazz-cd had opgezet. En daar gingen we weer...

Op een dag was Bart vrij en geen chauffeur. We zaten met Kriebeltje in de bus. Aangezien er geen muziek was, besloot Kriebeltje dat het tijd was voor een gesprek. Het werd één grote klaagzang. Zijn vriend, een veel oudere man, commandeerde hem rond en gaf hem er ongenadig van langs. Hij woonde in een huis waarvan de eigenaren hem opsloten in zijn kamer als er bezoek was. Ze parkeerden de vuilniszakken op Kriebeltjes bed: aan hem de taak het huis schoon te houden. En hij miste Israël zo: 'I wish I was dead! I wish I wasn't gay! Please let me be normal, I wish I was straight!', druilde Kriebeltje. Maar gelukkig had hij ons nog. De ritjes van en naar Vianen waren voor hem het hoogtepunt van de dag en wij waren zijn redding geweest de afgelopen weken.

De volgende ochtend kwam Kriebeltje weer naar de oppikplaats, voor de ingang van het park. Bij ons rees het vermoeden dat hij daar inmiddels menig nacht geslapen moest hebben. Ja hoor, hij stonk weer een dagje mossiger dan gisteren. En wat had hij er weer een zin in, liefst Luv' vandaag. Zo zaten we opgescheept met een steeds verder verloederende Kriebeltje, die al z'n frustraties hysterisch van zich af sambabalde. Dat laatste stukje geluk wilden, nee kónden we hem gewoon niet ontnemen.

Toen vertrok hoofdredacteur Henk naar het nieuwe hoofdkantoor in Rotterdam. Zijn neef kreeg daar weer een ander zelfverzonnen baantje. De transfer kwam als een geschenk uit de hemel. We hebben nooit meer iets van Kriebeltje vernomen.

dinsdag 12 januari 2010

iPod verrot


Het lijkt allemaal zo lekker te gaan met de spullen van Apple. Je steekt de stekker in het stopcontact en gegarandeerd dat je iMac het doet. Automatisch vist het apparaat internet uit de lucht, ordent het al je foto's in een handomdraai en ook je muziek floept zonder gedoe in de juiste iTunes-modus. Boxen aankoppelen, eventueel een iPhone inschakelen als afstandbediening en voilà: binnen vijf minuten heb je je eigen boombox. Helemaal leuk wordt het als je al je muziek altijd en overal bij je kunt dragen, al is voor mij de grootste iPod Classic op dit moment al te klein.

Bij het sync'en van iTunes naar iPod moet ik dus keuzes maken. De ene keer skip ik alle crap (one hit wonders, novelty troep of alle top 40-hits uit de jaren negentig), een andere keer laat ik alle seventies soul eenzaam achter in iTunes. Tot voor kort verliep dat proces altijd prima, maar zondag sloeg mijn iMac op tilt. Opeens bleek mijn iPod te zijn veranderd in 'uncompatible hardware' die bovendien 'corrupt' was en de 'onbekende errormelding 1406' beloofde ook weinig goeds. Het ding was dus ineens kapot.

Zuchtend en vloekend naar Marktplaats om te zien wat een 2ehands iPod Classic kost (veel, als je er eentje zoekt die het nog doet tenminste) en daarna gekeken op Amazon.com (alleen oudere modellen te koop voor duur). In gedachten zag ik me al staan in de Apple Store, tegenover zo'n joch met slierthaar en een afgezakte bilnaadbroek. 'Nee hoor, dit probleem is nog nooit eerder voorgekomen. En repareren is even duur als het aanschaffen van een nieuwe iPod. Loopt u even mee? Dan zoeken we samen een moeilijk modelletje uit.'

Toen ik verder vloekte en tierde, kreeg ik de tip het eens te proberen op het Apple Forum. Wat blijkt: zo'n beetje iedereen die de nieuwste versie van iTunes installeert, krijgt problemen. De upgrade zorgt ervoor dat iTunes 9.0 en de iPod Classic niet langer vriendjes willen zijn. Sterker nog: mijn vriendelijke iPod die bijna bol staat van de leuke liedjes is letterlijk uitgekotst door die verwaande, vernieuwde iTunes.

Op maar liefst 29 pagina's klagen Apple-gebruikers over de iTunes upgrade. Dankzij een tip op pagina 28 heb ik m'n iPod weer aan de praat gekregen. Maar niet nadat ik het ding helemaal heb moeten leeghalen en resetten. Vervolgens heb ik 9.0 keihard in de prullenbak geflikkerd en de oude, vertrouwde iTunes 8.2.1 opnieuw geïnstalleerd. Gelukkig kon ik mijn iTunes-bibliotheek foppen door een oude backup van 26 november als hoofdbestand te selecteren.

Nu doet alles het weer, al moet ik alle muziek gedownload na 26-11 opnieuw toevoegen en in de juiste playlists stoppen. Ik heb geluk gehad, want anderen hebben hun iPod volledig moeten hacken om er nog iets mee te kunnen. Ik verdenk Apple ervan dat ze expres compatibiliteitsproblemen inbouwen en vervolgens de iPod de schuld geven. Zodat ze nog meer van die glimmende apparaatjes kunnen verkopen. Ik was er bijna ingetrapt.

vrijdag 15 mei 2009

Wat stuurt Nederland volgend jaar naar het Songfestival?


Aan die gedateerde Toppers-onzin wil ik geen woorden vuil maken. De grote vraag is nu: hoe gaan we volgend jaar verder met het Songfestival? Wat mij betreft: niet. Maar als het per se moet, dan op één van de volgende manieren.

1) Jaren geleden riep mijn goede vriendin Helga Lagerveld het al: we moeten de Jostiband sturen. Gisteren in Shownieuws zag ook Patty Brard in dat dit de beste optie is. Een andere suggestie van Helga uit 2006: 'maak er volgend jaar iets volslagen krankzinnigs van. Zet twee bejaarden naast een draaiorgel en voer een aapje dronken, dat al wankelend met een centenbakje het publiek rondgaat. Maak een medley van Tulpen Uit Amsterdam en andere Jordaanse flauwekul, voer het draaiorgel flink op en laat het in een finale ontploffen zodat het hele publiek wordt bedekt met een lading confetti.'

2) Nederlandse folklore slaat blijkbaar niet aan. We moeten dus géén act uit Volendam sturen. Géén Jantje of Moniekje Smit of Drie HeremeJee's. Lees van die laatste de songtekst 'Bevlogen vogels' en huiver!

3) Of we moeten die Hollandse folklore er juist keihard doorheen rammen. Vanaf volgend jaar organiseert de TROS het Festival van de Wansmaak, dus mogelijkheden te over. Bij deze tip ik Wesley de Zingende Aardappel, de bastaardversie van Thomas Berge en hoogstwaarschijnlijk de liefdesbaby van Dries Roelvink en iets blonds ordinairs uit een poldergehucht.

4) In hetzelfde genre zijn De Germa's ook niet onaardig: drie ronde dames in babydolletjes die bekend zijn van hits als 'De Kanarie van Ome Arie'. (Let op de cameo van Arie B. in de bijbehorende amateurvideo.)

5) Dit is de aller-, allerbeste oplossing. We nemen de ultiemste der Songfestivalhits aller tijden, Armi en Danny. Let op de bijbehorende choreografie.



Wacht! Niet wegklikken! Helemaal uitkijken!

Update: ik lees net dat Army zich in 2002 heeft doodgezopen. Remake-je dan maar?

maandag 27 april 2009

Varkensgriep

Is het slim om nu een reis te boeken naar Mexico of Florida? Of naar welk land dan ook? Moeten we ons zorgen maken over een wereldwijde pandemie? In elk geval drukt de zwijnenziekte (die overigens een mutant is van het vogelgriepvirus) nog eens extra op de kredietcrisis. Het AD schrijft olijk: 'Varkensgriep besmet ook Aziatische beurzen'.
Leuk ook, hoe de Google Adresults automatisch inhaken op de varkensgriep. Op Liff.nl worden we nog eens extra bang gemaakt: 'Vitale voorzieningen, zoals voedsel, drinkwater, zorg, energie / elektriciteit, transport, betalingssystemen en dergelijke krijgen een harde klap.' En of we de onderstaande voorzorgsmaatregelen alvast willen aanschaffen: